Op 13 juni overleed de Hongaarse componist György Ligeti op 83-jarige leeftijd. Hij was samen met onder andere Luciano Berio, Pierre Boulez en Karlheinz Stockhausen één van de protagonisten van de nieuwe muziek na 1950. Ligeti vluchtte na de opstand van 1956 uit Hongarije naar Keulen om via Stockhausen kennis te maken met de Westerse avant-garde en elektronische muziek. Hij kende een internationale doorbraak met Apparitions waarin hij - gelijktijdig maar onafhankelijk van Iannis Xenakis, Krzysztof Penderecki en Stockhausen - clusters in de orkestrale muziek introduceerde. Met zijn techniek van klankwolken of ‘micropolyfonie’ (dichte klankweefsels waarin de afzonderlijke stemmen hun individualiteit verliezen), uitgewerkt in stukken als Apparitions, Lontano en Atmosphères, vond hij niet alleen zijn weg naar de zenuwcentra van de avant-garde, maar ook naar de filmwereld (soundtrack van Stanley Kubricks 2001, A Space Odyssey). Daarnaast kwam Ligeti’s fascinatie voor het machinale - hierbij sloot hij ook falende machines, met chaos tot gevolg, niet uit - tot uitdrukking in zijn Poème Symphonique (voor 100 metronomen) en het Kammerkonzert. Ligeti schreef één opera: Le Grand Macabre. Hij had de bedoeling om een 'anti-anti-opera' te maken, na de grote tegenbeweging van de jaren ’60, waarin het fenomeen van de opera in vraag werd gesteld. Ligeti’s latere ontwikkeling toonde een steeds grotere stilistische diversiteit, waarbij reeds bestaande kaders niet geschuwd werden. In de werken uit deze periode zijn invloeden van Caraïbische, Afrikaanse en Indonesische muziek (Etudes, Pianoconcerto) te horen.
Ligeti had talloze navolgers en bewonderaars, maar bleef tot het eind op zoek naar zijn ‘ware taal’.