In december werd bekend gemaakt dat de familie de Mérode een handschrift uit haar bezit, een kostbaar verlucht antifonarium uit 1522, te koop aanbiedt. Minister Anciaux beslist rond eind januari of de Vlaamse Gemeenschap ingaat op de vraagprijs van € 400.000.
De familie de Mérode was eeuwenlang de beschermster van de norbertijnerabdij van Tongerlo. Uit erkentelijkheid werd haar na de opheffing van de abdij (1796) dit antifonarium geschonken.
Bij de onderzoekers is het handschrift vooralsnog niet erg bekend; het komt ook niet voor op de lijst van muzikale topstukken die de overheid in maart 2007 publiceerde.
Nochtans gaat het hier wel degelijk om een stuk van bijzonder grote artistieke waarde. Het antifonarium van 337 folio’s werd in 1522 geschreven in opdracht van abt Antonius Tsgrooten (1460-1530). Tsgrooten was een notoir mecenas, die onder meer in 1507 opdracht gaf aan Goswin (Goossen) Van der Weijden, kleinzoon van Rogier, voor het schilderen van een schitterend triptiek, en voor de abdij ook meerdere handschriften liet vervaardigen.
De scribent van het antifonarium was Franciscus van Weert, uit wiens oeuvre slechts zeven handschriften bewaard bleven, waaronder verschillende muziekhandschriften. De kunstenaar die de verluchting verzorgde is vooralsnog anoniem, maar het staat vast dat ook hij zijn métier zeer goed beheerste. De 42 miniaturen en 21 gehistorieerde initalen, uitgevoerd in Gents-Brugse stijl, zijn van zeer hoge kwaliteit.
De gezangen van het antifonarium zijn bestemd voor het getijdengebed, en meer bepaald voor het tweede deel van het liturgisch jaar (van Pasen tot de Advent). De muziek van het handschrift werd genoteerd in de toen gangbare notatie voor gregoriaans, de zogenaamde kwadraatneumen. De gebruikssporen tonen dat musici met kennis van zaken het handschrift hanteerden. Belangrijker nog zijn de vele varianten en correcties die de melodieën vertonen. Op sommige plaatsen beperken de verschillen ten opzichte van andere bronnen zich tot één of enkele noten, elders worden volledig andere melodische frasen gebruikt. De melodieën werden bovendien op heel wat plaatsen gecorrigeerd. Of het hier om een systematische redactie gaat, om een correctie naar een concreet handschrift of melodisch model of niet, is stof voor verder onderzoek. De ingrepen in de gezangteksten doen alleszins vermoeden dat de correcties niet ‘toevallig’ tot stand kwamen: op verschillende plaatsen werd de eerder genoteerde tekst gecorrigeerd naar de oorspronkelijke bijbeltekst.
Het gregoriaans van de norbertijnen is tot nog toe niet zo goed bekend bij musicologen en mediëvisten, en verdient zeker meer en diepgaand onderzoek. Voor een dergelijk onderzoek is een handschrift van zo’n hoog artistiek niveau, waarover zoveel cruciale gegevens (plaats en tijd van ontstaan, opdrachtgever, bestemming, vervaardiger) bekend zijn, het gedroomde studieobject. Een uitvoering in situ is natuurlijk de kers op de taart.