Zoeken

De bescherming van muzikaal erfgoed in Vlaanderen en Nederland

In de volgende afleveringen van deze reeks over muzikaal erfgoed in het buitenland, kijken we verder dan het internationale niveau. Ook nationaal beschikken landen – binnen en buiten Europa – vaak over een wetgeving die het roerend en immaterieel cultureel erfgoed (of onderdelen daarvan) beschermt. Vlaanderen en Nederland zijn de eerste in de rij die aan bod komen.

De bescherming van materieel muzikaal erfgoed

De regelgeving ter bescherming van cultuurgoederen, zoals die op Europees niveau circuleert (zie aflevering 1 van deze reeks), wordt in de meeste lidstaten van de Europese Gemeenschap aangevuld met een eigen, nationale wetgeving. Een van de voornaamste redenen daarvoor is dat de betreffende Europese verordening en richtlijn uitgaan van vijftien categorieën van cultuurgoederen die enkel op basis van kwantitatieve criteria (ouderdom en financiële waarde) in aanmerking kunnen komen voor de bepaalde beschermingsmaatregelen (uitvoerbeperking en teruggave bij onrechtmatige verplaatsing naar een andere lidstaat). De individuele lidstaten zullen in hun eigen wetgeving vaak deze beschermingsmaatregelen uitbreiden en (ook) uitgaan van kwalitatieve criteria. In deze heel andere benadering van cultuurgoederen stellen de lidstaten zich in de eerste plaats de vraag welke goederen voor zichzélf van belang zijn, welke goederen een zekere ‘nationale’ (historische) waarde hebben en van belang zijn in het bewaren en veruiterlijken van een eigen ‘identiteit’. Van zodra ook dergelijke kwalitatieve criteria een rol gaan spelen, komen we al gauw terecht in een wetgeving die enkel oog heeft voor de bescherming van culturele goederen die van uitzonderlijke waarde zijn voor het land zelf. In het vervolg van deze reeks laten we de algemene categorieën van de Europese regelgeving achter ons en gaan we net op zoek naar dergelijke wetten wat het roerend cultureel erfgoed betreft. Waar mogelijk bekijken we ook heel concreet de resultaten daarvan binnen het domein van het muzikaal erfgoed.

Wat de situatie in België betreft, moet enig ‘nationaal’ uitgangspunt uiteraard onmiddellijk geherdefinieerd worden, aangezien (bijna) alles wat met cultuur en erfgoed te maken heeft sinds de staatshervormingen de bevoegdheid geworden is van de gemeenschappen. Zowel de Vlaamse als de Waalse overheid vaardigden de voorbije jaren een eigen decreet uit dat betrekking heeft op de bescherming van roerend cultureel erfgoed. In Vlaanderen gaat het uiteraard om het relatief jonge ‘Decreet houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang’, het zogenaamde Topstukkendecreet. Het is niet het eerste decreet dat in Vlaanderen rond deze materie verscheen. In november 1982 verscheen al het ‘Decreet houdende bescherming van het roerend cultureel patrimonium’, dat een uitgebreid aanbod aan beschermingsmaatregelen bood (uitvoerbeperking, beveiliging, restauratie,…) aan beschermde voorwerpen, voornamelijk in (Vlaams) overheidsbezit. Particuliere culturele goederen konden enkel in aanmerking komen op uitdrukkelijk verzoek van de privé-eigenaar. Dit decreet miste echter de nodige uitvoeringsbesluiten om het werkelijk in de praktijk te kunnen omzetten, met als gevolg dat uiteindelijk slechts vijf voorwerpen en één verzameling beschermd zouden worden. Bovendien bevatte dit decreet zelf geen ‘kwalitatieve’ criteria ter bescherming van de goederen en kunnen we dus snel overgaan naar het Topstukkendecreet.

Omdat over het Topstukkendecreet al heel wat informatie verscheen, vatten we gewoon een aantal basisprincipes samen, die de vergelijking van deze regelgeving met die van andere regio’s moet vereenvoudigen. Het Topstukkendecreet dient zowel de bescherming van voorwerpen en verzamelingen in particulier als in overheidsbezit. Maatregelen ter bescherming zijn hoofdzakelijk de uitvoerbeperking, een voorkooprecht van de overheid, de beperking van fysische ingrepen aan de voorwerpen en verzamelingen en de mogelijkheid tot restauratiesubsidies. Om in aanmerking te komen voor deze bescherming, moet wel voldaan zijn aan een aantal criteria: het voorwerp of de verzameling moet zeldzaam en onmisbaar zijn. ‘Zeldzaam’ betekent dat er weinig andere gelijke of gelijksoortige goederen/verzamelingen binnen de Vlaamse Gemeenschap aanwezig zijn; ‘onmisbaar’ houdt in dat het voorwerp of de verzameling een bijzondere waarde heeft voor het collectieve geheugen, een schakelfunctie of ijkwaarde heeft of op artistiek vlak bijzonder waardevol is. Alle beschermde goederen en verzamelingen worden opgenomen in een lijst. De zoektocht naar voorwerpen en verzamelingen die op basis van deze criteria voor bescherming in aanmerking kunnen komen, besteedt de overheid uit. Voor het muzikaal erfgoed stelde Resonant reeds twee proeflijsten op, eentje met betrekking tot muzikaal erfgoed van vóór 1600, de andere met muzikaal erfgoed van 1600 tot nu. Het opstellen van deze proeflijsten gebeurt in overleg met de diverse betrokken instellingen, organisaties en verenigingen en met experten uit binnen- en buitenland. Vooraleer de bevoegde minister van cultuur een definitieve beslissing neemt over het statuut van de op de proeflijst opgenomen voorwerpen en verzamelingen (topstuk of niet), wordt nogmaals advies ingewonnen bij de Topstukkenraad.

De resultaten van de eerste proeflijst zijn inmiddels bekend: een dertigtal voorwerpen en twee verzamelingen verkregen het statuut van topstuk, voornamelijk partituren, in handschrift en druk, en muziekinstrumenten. Op de resultaten van de tweede proeflijst is het nog even wachten. Ook twee schilderijen, die in het kader van de proeflijst ‘Vlaamse Primitieven’ werden ingediend, kunnen gerekend worden tot het ‘muzikaal erfgoed’: Memlings ‘Zegenende Christus met zingende en musicerende engelen’ en het ‘Lam Gods’ van de gebroeders Van Eyck. En ten slotte is er nog het Antifonarium Tsgrooten dat de overheid niet enkel opnam op de Topstukkenlijst, maar inmiddels ook aankocht en zo (in bruikleen aan de Vlaamse Erfgoedbibliotheek vzw) in de Collectie Vlaanderen terechtkwam. Tot deze collectie, die het resultaat is van het aankoopbeleid van de Vlaamse overheid, behoort ook de verzameling mechanische orgels van Jef Ghysels. De kunstwerken die in het kader van deze collectie aangekocht worden, zijn niet alleen ‘topstukken’, maar ook zogenaamde ‘sleutelwerken’: kunstwerken die een cruciale meerwaarde betekenen voor de bestaande collecties van de erfgoedinstellingen. Het merendeel wordt na verwerving in (langdurige) bruikleen gegeven aan musea en andere erfgoedinstellingen, zodat ze voor het publiek toegankelijk worden. Meer informatie over de topstukken en de Collectie Vlaanderen is te vinden op de websites van het Agentschap Kunsten en Erfgoed (www.topstukken.be) en op de portaalsite over muzikaal erfgoed (www.muzikaalerfgoed.be).

Ondanks de mooie resultaten die het Topstukkendecreet boekte, blijft het jammer dat een aantal belangrijke collecties buiten haar toepassingsgebied vallen. De federale instellingen zijn daar het opvallendste voorbeeld van. Want het federale niveau blijft naast de gemeenschappen actief als actor in het cultuur- en erfgoedbeleid: een aantal culturele en wetenschappelijke instellingen, die van groot belang (kunnen) zijn voor het muzikaal erfgoed vallen onder haar bevoegdheid: de Munt, het PSK (Bozar) en het Nationaal Orkest van België als culturele instellingen, het Algemeen Rijksarchief, de Nationale Bibliotheek en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika als wetenschappelijke instellingen, om er maar enkele te noemen. Deze instellingen stoten op het probleem dat ze vaak niet op het grondgebied Vlaanderen gelegen zijn, maar in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. En net omdat ook hun activiteiten niet gedefinieerd kunnen worden als uitsluitend ‘Vlaams’, komen de collecties van deze instellingen niet in aanmerking voor bescherming via het Topstukkendecreet. Maar ook wanneer het criterium ‘gelegen in Vlaanderen’ wél ingelost is, stoot men in de praktijk vaak op loyaliteitsproblemen vanwege de federale werk- en subsidiegever.

Het Vlaamse Topstukkendecreet en de Nederlandse wetgeving, waar sinds 1 februari 1984 de ‘Wet tot behoud cultuurbezit’ (Wbc) bestaat, zijn in hoge mate op dezelfde leest geschoeid. Beide zijn op een aantal gelijkaardige principes gebaseerd. Ook de Nederlandse wet gebruikt het lijstsysteem, de twee criteria – onvervangbaar en onmisbaar (met een symboolfunctie voor de Nederlandse geschiedenis, een schakel- of ijkfunctie) – en ook de beschermings-maatregelen zijn dezelfde: uitvoerbeperkingen, voorkooprecht en restauratiemogelijkheden. Voor Nederland komt daar ook de mogelijkheid bij successierechten te betalen in de vorm van beschermde goederen. In Vlaanderen bestaat een gelijkaardig systeem, al is die niet opgenomen in het Topstukkendecreet, maar wel in het Wetboek der Successierechten van het Vlaams Gewest. Een groot verschil tussen het Topstukkendecreet en de Wbc is echter dat die laatste enkel van toepassing is op voorwerpen en verzamelingen die eigendom zijn van particulieren, verenigingen en stichtingen; goederen in het bezit van de overheden worden op een andere manier beschermd. Allicht mede daardoor bleef de toevoeging van muzikaal erfgoed op de lijst van beschermde goederen vooralsnog in Nederland beperkter dan in Vlaanderen. De lijst – die men kan opvragen bij de Erfgoedinspectie, belast met o.m. het toezicht op een belangrijk deel van het Nederlandse erfgoed – bevat op dit moment een zestal voorwerpen gerelateerd aan muziek (waaronder een aantal orgels zoals ‘De Turk’ en het ‘Kunkels’ orgel en een schilderij van St.-Cecilia, patroonheilige van de muziek) en de collectie Musica Neerlandica, met de uitgebreide verzameling bladmuziek van violist Willem Noske.

De collecties die in het bezit zijn van de overheden, worden op andere manieren beschermd: de ‘Wet verzelfstandiging rijksmuseale diensten (1993) en de ‘Regeling materieelbeheer museale voorwerpen’ zijn de voornaamste geldende voorbeelden. Voor de bescherming van archieven zijn dat de ‘Archiefwet’ en het ‘Archiefbesluit’ (beide uit 1995). In geen van deze wetten is echter sprake van criteria in de zin van de ‘Wet tot behoud cultuurbezit’ waaraan de goederen of collecties moeten voldoen. De Nederlandse Rijkscollectie wordt door diverse instellingen beheerd: in de eerste plaats de verzelfstandigde rijksmusea, die ressorteren onder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het Instituut Collectie Nederland en musea die ressorteren onder andere ministeriële departementen. Een aantal van die instellingen beheren ook interessante muzikale collecties, bijvoorbeeld het Museum Meermanno-Westreenianum in Den Haag (onder het Ministerie van OCenW, met een collectie bladmuziek) of het Tropenmuseum in Amsterdam (muziekinstrumenten), dat ressorteert onder het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het behoud en beheer van deze collecties is de verantwoordelijkheid van de betreffende minister. Met de verzelfstandigde musea legt de Minister van Cultuur algemene afspraken met betrekking tot de bescherming vast via beheersovereenkomsten.


De bescherming van immaterieel muzikaal erfgoed

De bescherming van het immaterieel erfgoed in Nederland staat nog niet zo ver als die van het roerend erfgoed. Tot nog toe ratificeerde Nederland de UNESCO-conventie van 2003 niet, en op nationaal niveau bestaat er (voorlopig) geen wet die dit erfgoed in bescherming neemt. Ook in de vijftig canonvensters, een voorstelling van de historische canon van Nederland, samengesteld door de commissie Ontwikkeling Nederlandse Canon, komt muziek niet voor. Wel zijn er een aantal ‘kleinere’ initiatieven, zoals de online ontsluiting van de collectie veldwerkopnamen ‘Onder de groene linde’ door het Meertens Instituut (zie www.liederenbank.nl). Toch is het in Nederland voor de bescherming van het immaterieel muzikaal erfgoed op ‘nationale’ schaal voorlopig nog wachten op overheidsinitiatieven, die een inhaalbeweging in gang kunnen zetten.

Vlaanderen ratificeerde de UNESCO-Conventie ter bescherming van het immaterieel cultureel erfgoed wel in 2006 en maakte sindsdien werk van haar eigen ‘Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed Vlaanderen’, een van de basisprincipes van de conventie. In de samenstelling van deze inventaris, die het uitgangspunt moet worden van het Vlaamse immaterieel erfgoedbeleid, staan drie begrippen centraal: kwaliteit, bewustzijn en samenwerking. Hij bevat op dit moment achttien elementen, gaande van de Vlaamse gebarentaal en de Sint-Dimpnaverering, tot de garnaalvisserij te paard en de Ros Beiaardommegang. Sinds de ratificatie, slaagde de overheid er ook in één nieuw element te laten opnemen op UNESCO’s representatieve lijst van immaterieel erfgoed, dat bovendien onmiskenbaar een band vertoont met het muzikaal erfgoed: de Heilige-Bloedprocessie in Brugge.

 


Heidi Moyson

Anoniem 2 jaren 7 weken 6 dagen 19 uren geleden

Waw!