Zoeken

Topstukken in het buitenland: de Verenigde Staten en Australië

In navolging van de vorige aflevering in deze reeks– waar het Verenigd Koninkrijk centraal stond – verlaten we deze keer het Europese grondgebied en gaan we op zoek naar gelijkaardige beschermingsreglementen voor cultureel erfgoed in de ruimere Angelsaksische wereld, met de Verenigde Staten en Australië voorop.

Australië

Hoewel Australië op politiek vlak verbonden is met het Verenigd Koninkrijk, vertoont het beleid dat het land voert ter bescherming van het roerend cultureel erfgoed een eigen karakter, afgestemd op de specifieke historische ontwikkeling en demografische samenstelling van het land. Net zoals zovele andere naties zette Australië de UNESCO-Conventie van 1970 (betreffende de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen) om in de eigen wetgeving. In die zogenaamde Protection of Movable Cultural Heritage Act (PMCH Act), die dateert van 1986, worden de modaliteiten voorzien die Australië in staat stellen zowel het eigen nationale cultureel erfgoed als dat van andere naties te beschermen tegen respectievelijk illegale export en import. Zo neemt Australië een actieve rol op zich in het opsporen van illegaal geïmporteerde culturele goederen. Dit is het geval wanneer het land van herkomst daarom vraagt en kan bewijzen dat het goed – in het land van herkomst – krachtens een wet beschermd wordt.

Belangrijker voor deze reeks is natuurlijk dat Australië ook het eigen cultureel erfgoed tracht te vrijwaren van illegale export. Daarom voorziet het land in de PMCH Act in een lijst van objecten, ingedeeld in algemene categorieën, waarvoor een exportvergunning moet worden aangevraagd, de zogenaamde National Cultural Heritage Control List. De uitvoeringsbesluiten (Protection of Movable Cultural Heritage Regulations, uit 1987) specifiëren deze als: 

  1. objecten gerelateerd aan de Australische Aboriginal en Torres Strait eilandbewoners (de zee-engte tussen Australië en Papoea-Nieuw-Guinea); 
  2. archeologische objecten; 
  3. natuurlijke objecten, zoals diamanten, goudklompen, meteorietresten, fauna en flora; 
  4. objecten binnen de toegepaste wetenschappen en technologie (gereedschap, wapens, machines, enz.); 
  5. schone en decoratieve kunsten, waaronder schilderijen, beeldhouwwerk, tapijten, klokken en muziekinstrumenten; 
  6. documentair erfgoed, waarbij ook aandacht uitgaat naar elektronische documenten en beeld- en geluidsdragers; 
  7. numismatische objecten; 
  8. filatelistische objecten en ten slotte 
  9. objecten van historisch belang (het gaat dan bijvoorbeeld om objecten die de militaire geschiedenis, de migratie, het onderwijs, de rechtspraak enz. illustreren).


Aan deze categorieën verbindt de Australische overheid vervolgens (een combinatie van) bijkomende criteria, die kunnen verschillen al naargelang de objectcategorie: een minimumleeftijd, een graad van aanwezigheid van gelijkaardige objecten in publieke collecties, een financiële waarde, enz. Vooraleer een exportvergunning moet worden aangevraagd, moeten de objecten dus niet enkel beantwoorden aan één van de negen categorieën, maar ook aan de bijkomende criteria die voor elke categorie zijn vastgelegd. Voor de categorieën die in het kader van deze reeks van belang zijn, geldt bijvoorbeeld voor muziekinstrumenten dat zij minstens dertig jaar oud en minimaal 10.000 AUD (7127 euro) waard moeten zijn; voor documentair erfgoed daarentegen geldt eveneens een minimumleeftijd van dertig jaar, maar is bijkomend bepaald dat het document (of gelijkaardige documenten) in niet meer dan twee publieke collecties al aanwezig mag zijn. Voldoet een object aan alle vastgelegde criteria, dan wordt dit voortaan beschouwd als een ‘Australisch beschermd object’ en moet een exportvergunning worden aangevraagd.

Of die vergunning ook wordt toegestaan, is afhankelijk van een laatste indeling die de Australische overheid maakt in twee grote klassen: klasse A-objecten zijn objecten waarvoor normaliter nooit een vergunning wordt uitgereikt. De uitvoeringsbesluiten leggen precies vast om welke (beperkte verzameling) objecten het gaat: objecten die toegeschreven worden aan de autochtone Aboriginal- en Torres Strait-bevolking, Victoria Crosses uitgereikt aan Australische inwoners en objecten die behoren tot de wapenuitrusting die Ned Kelly bij zijn laatste strijd tegen de toen nog koloniale autoriteiten in Glenrowan droeg. Alle andere objecten die beantwoorden aan de vooropgestelde categorieën en criteria worden geclassificeerd als klasse B: objecten waarvoor wel een uitvoervergunning kan worden uitgereikt, al is dit geen onbetwistbaar gegeven. Ook voor klasse B-objecten kan de exportvergunning geweigerd worden. Net zoals in de meeste andere landen wordt er een onderscheid gemaakt tussen vergunningen voor permanente en voor tijdelijke uitvoer.

De Australische overheid wordt in haar taak om het cultureel erfgoed te beschermen bijgestaan door het zogenaamde National Cultural Heritage Committee (NCHC) en door talrijke ‘expert examiners’. Het NCHC heeft de opdracht de minister te adviseren inzake de algemene werking van de PMCH Act en de toewijzing van het statuut ‘beschermd object’. De externe experten onderzoeken daarvoor eerst of objecten wel als dusdanig beschouwd kunnen worden en of ze dus voldoen aan de criteria van de National Cultural Heritage Control List. Zij bepalen tevens voor klasse B-objecten of een uitvoervergunning wordt uitgereikt. Dit gebeurt op basis van een meer subjectief criterium, nl. de vraag of het object zo’n uitzonderlijke waarde heeft dat de uitvoer ervan een verlies zou betekenen voor het cultureel erfgoed van Australië. Dit is dus een vraag die in het toekenningsproces als laatste gesteld wordt bovenop alle andere – objectieve – criteria. Ze geldt enkel voor klasse B-objecten; bij klasse A-objecten wordt ervan uitgegaan dat deze uitzonderlijke waarde al vervat ligt in de objectieve criteria van de National Cultural Heritage Control List. Wanneer een klasse B-object deze uitzonderlijke waarde bezit, wordt de exportvergunning alsnog geweigerd. Een lijst van klasse B-objecten waarvan de export in het verleden werd geweigerd, is raadpleegbaar op de website van de Australische regering.

Ten slotte voorziet de PMCH Act in de oprichting van de National Cultural Heritage Account, een fonds dat Australische organisaties financieel helpt om beschermde objecten te verwerven, met als doel het behoud van deze objecten te garanderen en de toegankelijkheid ervan voor het grote publiek te vergroten.

Het National Cultural Heritage Committee kreeg het afgelopen decennium meer dan 1.800 exportaanvragen te verwerken, waarvan er in totaal niet meer dan 39 geweigerd werden. Muzikaal erfgoed is slechts in beperkte mate vertegenwoordigd in deze aanvragen. Met betrekking tot het voorbije decennium kan maar één ‘muziekinstrument’ gedetecteerd worden waarvoor een tijdelijke uitvoervergunning werd toegekend, nl. een orgelkast van de hand van Charles Jackson (ca. 1860). Voor amper één instrument – een Ronisch vleugelpiano uit ca. 1880 – werd de exportvergunning geweigerd. Het instrument kwam met de steun van de National Cultural Heritage Account wel terecht in de collectie van de School of Music, een departement van de Australian National University in Canberra. Dankzij de financiële ondersteuning van dit fonds konden ook een Broadwood piano uit ca. 1830 en een contrabas uit 1856 van John Devereux, de eerste professionele strijkinstrumentenmaker van Australië, aangekocht worden door respectievelijk de National Trust of Australia in Tasmanië en het Powerhouse Museum in Sydney. Slechts vier objecten dus die met muzikaal erfgoed in verband gebracht kunnen worden – een zoektocht naar documentair muzikaal erfgoed of muziekiconografisch materiaal leverde helemaal niets op – maar wel vier objecten waarvan door de overheid erkend wordt dat ze een bijzondere waarde hebben voor het cultureel erfgoed van Australië en die via een tijdelijke exportvergunning of door een aankoop van de objecten binnen de landsgrenzen gehouden worden.

Meer informatie?

Bijlagen:



Verenigde Staten

Ook de Verenigde Staten aanvaardden begin jaren tachtig van de vorige eeuw de UNESCO-Conventie betreffende de onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen. Dit resulteerde in een eigen Convention on Cultural Property Implementation Act, die de bepalingen vastlegt op basis waarvan de Verenigde Staten kunnen optreden bij het illegaal importeren van culturele goederen vanuit een ander land. Een ‘illegale import’ staat dan niet alleen gelijk aan de invoer van gestolen goederen, maar ook aan de invoer van goederen waarvoor in het land van herkomst is bepaald dat een uitvoervergunning nodig is. Binnen deze context sloten de VS in het verleden al met verscheidene landen een overeenkomst, waarin steeds een lijst wordt opgenomen van goederen (algemene categorieën, waaronder sporadisch ook objecten gerelateerd aan de muziekgeschiedenis van een natie of volk) die bij invoer in de VS extra gecontroleerd moeten worden op eigendom en aanwezigheid van een uitvoervergunning. Elk van die lijsten is afgestemd op de specificiteit van het partnerland en haar uitzonderlijke cultureel erfgoed.

Daarnaast maken de VS van de overeenkomst gebruik om ook een meer algemene wisselwerking te stimuleren, zoals mogelijkheden tot het in bruikleen geven van bepaalde culturele goederen aan de VS om “de internationale toegang tot dat erfgoed voor culturele, educatieve of wetenschappelijke doeleinden te vergroten en bevorderen”. Partnerlanden van de VS waren/zijn o.a. Canada, Bolivië, China, Guatemala, Peru en het Europese Cyprus en Italië. De overeenkomst die de VS met deze partnerlanden sloot en de lijsten van te beschermen goederen zijn in hun totaliteit beschikbaar op de website van het Bureau of Educational and Cultural Affairs. In het kader van deze overeenkomsten werken de VS met de partnerlanden aan een databank die afbeeldingen en metadata bevat van het cultureel erfgoed dat bij import naar de VS extra gecontroleerd en beschermd moet worden. De beeldbank vereenvoudigt de identificatie van dat erfgoed voor zij die er in contact mee kunnen komen, in eerste instantie de douanebeambten.

Zeer bizar: diezelfde Cultural Property Implementation Act lijkt geen enkele bepalingen te bevatten die het eigen cultureel erfgoed van de VS beschermt tegen illegale export. En ook de website van de U.S. Customs and Border Protection rept met geen woord over het eventuele bestaan van dergelijke exportbeperkingen. Wordt ongetwijfeld vervolgd…

Meer informatie?

Bijlagen: