De bescherming van cultureel erfgoed in Franstalig België en Frankrijk
Sinds het domein cultuur in het Belgische staatsbestel de bevoegdheid werd van de gemeenschappen, groeiden Vlaanderen en Franstalig België in hun erfgoedbeleid uit elkaar. Ook meer specifiek met betrekking tot de bescherming van ‘speciale’ culturele goederen gingen beide landsdelen hun eigen weg. Waar Vlaanderen voor het Topstukkendecreet inspiratie vond in de Nederlandse Wet tot behoud van cultuurbezit, zoekt de Franse gemeenschap eerder aansluiting bij Frankrijk.
Twee in inhoud en aanpak totaal verschillende regelgevingen zijn daarvan het resultaat. Hetzelfde kan gezegd worden over de bescherming van het immaterieel erfgoed, waarbij zowel in Frankrijk als in Franstalig België veel aandacht uitgaat naar de ‘Maîtres d’Art’ of ‘trésors culturels vivants’, begrippen die in Vlaanderen (vooralsnog) niet in een gelijkaardige context in de praktijk gekend zijn.
Frankrijk
In Frankrijk is sinds december 1992 een wet van kracht die beperkingen oplegt in de uitvoer van bepaalde cultuurgoederen: de Loi no. 92-1477 du 31 décembre 1992 relative aux produits soumis à certaines restrictions de circulation et à la complémentarité entre les services de police, de gendarmerie et de douane. Die wet kwam er kort nadat de Europese Unie de Verordening betreffende de uitvoer van cultuurgoederen uitvaardigde (zie ook aflevering 1 in deze reeks) en is er deels op gebaseerd. Hij werd verder gepreciseerd in het besluit van de Franse regering d.d. januari 1993 (Décret 93-124 du 29 Janvier 1993 relatif aux biens culturels soumis à certaines restrictions de circulation, met aanpassingen in 1995, 2001 en 2004) en opgenomen in de volledige Code du Patrimoine, een soort handleiding die alle bepalingen rond het Franse erfgoedbeleid bij elkaar brengt, en waarvan de laatste versie dateert van 1 januari 2010 (geconsolideerde versie).
De Franse wetgeving baseert zich op drie types van cultuurgoederen:
de goederen in vrije circulatie (zij die niet behoren tot het volgende type)
de goederen waarvoor een exportvergunning (‘certificat’ genoemd) vereist is
de zogenaamde ‘nationale schatten’
Voor de definitie van cultuurgoederen waarvoor een exportvergunning vereist is, grijpt Frankrijk terug naar de Verordening van de Europese Unie. Daarin werden 15 categorieën cultuurgoederen voorgesteld, gekoppeld aan ouderdoms- en (financiële) waardedrempels, die de Franse overheid in gewijzigde vorm overneemt. De eigenaar mag deze goederen buiten het douanegebied brengen, mits het verkrijgen van een uitvoercertificaat, dat uitgereikt wordt door de bevoegde administratie. Het kan zowel om een tijdelijke als om een definitieve uitvoer van de goederen gaan.
Nationale schatten
Dat is anders voor de ‘nationale schatten’, die gedefinieerd worden als de ‘cultuurgoederen die uit historisch, kunsthistorisch of archeologisch oogpunt van groot belang zijn voor het nationaal patrimonium’. Niet alleen de manier waarop deze cultuurgoederen gedefinieerd worden (erg algemeen) wijkt sterk af van het Vlaamse Topstukkendecreet; ook in aanpak zijn er een aantal opmerkelijke verschillen. Want waar Vlaanderen actief op zoek gaat naar en a priori een lijst aanlegt van zijn topstukken, neemt de Franse overheid een passievere houding aan. De titel ‘nationale schat’ wordt er ad hoc toegekend aan die cultuurgoederen waarvoor een uitvoercertificaat werd aangevraagd en die voldoen aan de bovenstaande definitie.
Concreet betekent dit dat een adviserende commissie van experten elk cultuurgoed waarvoor een aanvraag tot uitvoervergunning werd ingediend, moet evalueren en moet onderzoeken of het al dan niet voldoet aan de ‘criteria’ van nationale schat. Het betekent ook dat de toekenning van deze status afhankelijk is van het (vaak toevallige) feit of de eigenaar het goed al dan niet wil exporteren. Bovendien blijven op die manier in tegenstelling tot Vlaanderen ook financiële waardedrempels onlosmakelijk verbonden met de Franse ‘nationale schatten’, aangezien enkel voor die categorieën cultuurgoederen met een bepaalde financiële waarde een vergunning vereist is.
uitvoer
Elke tijdelijke of definitieve uitvoer van een nationale schat zal door de adviserende commissie in principe geweigerd worden. De Code du Patrimoine voorziet slechts een uitzondering op deze regel: een tijdelijke uitvoer van nationale schatten buiten het douanegebied kan toegestaan worden in geval van restauratie van het voorwerp, onderzoek door experten, of wanneer het goed onderdeel is van een tentoonstelling of andere cultureel evenement. Een belangrijke aanvulling op deze wetgeving betekende de Wet van 10 juli 2000 betreffende de bescherming van nationale schatten. Daarin wordt een procedure voorgesteld die verhindert dat eigenaars van nationale schatten het slachtoffer worden van de eventuele willekeur van de commissie bij het toekennen van de uitvoervergunningen, maar die het de Franse overheid zelf ook mogelijk maakt om nationale schatten te verwerven. Want elke weigering tot uitvoercertificaat is maximum dertig maanden geldig. Nadien kan de commissie geen weigering meer toekennen, zonder de eigenaar eerst een voorstel tot aankoop aangeboden te hebben. De overheid heeft met andere woorden maximaal dertig maanden de tijd om een bod te doen op het cultuurgoed, in overeenstemming met de internationale prijzen. Weigert de eigenaar het bod tot tweemaal toe, dan kan het uitvoercertificaat opnieuw geweigerd worden.
Sinds de inwerkingtreding van de wet in 1992 telt Frankrijk intussen meer dan 150 ‘nationale schatten’, waaronder een wapencollectie, meubilair, een verzameling fietsen, tal van schilderijen (o.a. Miró, Rubens, Poussin, Gauguin, Monet, Picasso) en literaire manuscripten (de Saint-Exupéry, Dora Maar, Rimbaud). Maar ook het muzikaal erfgoed is vertegenwoordigd met vier klavecimbels (van o.a. Johannes Couchet) uit de zeventiende en achttiende eeuw, een kermisorgel uit de periode 1895-1920 en de autograaf van Igor Stravinsky’s Les Noces. Van die zes ‘muzikale’ voorwerpen kon de Franse overheid er vier aankopen en herbestemmen.
Franstalig België
Ook in Franstalig België vormen de 15 categorieën van cultuurgoederen, zoals die gegeven zijn in de Verordening van de Europese Unie, de basis voor het beleid inzake de bescherming van roerend cultureel erfgoed. Daarin lijkt het op de wetgeving in Frankrijk. De overheid van de Franse gemeenschap maakt in het Decreet betreffende de roerende culturele goederen en het immaterieel patrimonium van de Franse Gemeenschap (2002) naar analogie met Frankrijk een onderscheid tussen drie ‘types’ cultuurgoederen:
de roerende culturele goederen in algemene zin (die overeenstemmen met de 15 categorieën, in licht gewijzigde vorm, maar zonder dat de financiële drempels hieraan verbonden zijn)
de ‘schatten’ van de Franse Gemeenschap
geklasseerde culturele goederen
De betekenis die de Franse gemeenschap aan de ‘schatten’ toekent, verschilt echter van het begrip ‘nationale schatten’ in Frankrijk. Door de Franse gemeenschap worden ‘schatten’ gedefinieerd als de cultuurgoederen, behorend tot een van de (gewijzigde) categorieën van de Verordening, met inbegrip van de financiële waardedrempels. Waar in Frankrijk een ‘nationale schat’ een bijzondere waarde moet bezitten voor het nationaal patrimonium, geldt dit dus niet in Franstalig België, enkel het kwantitatief criterium van de financiële waarde lijkt hierbij van belang te zijn (het decretaal kader blijft echter ambigu). Van een kwalitatief criterium, namelijk de buitengewone historische, archeologische, etnologische of wetenschappelijke waarde voor het erfgoed van de Franse Gemeenschap, is enkel sprake in verband met ‘geklasseerde goederen’. Een ‘geklasseerd goed’ kan een schat van de Franse Gemeenschap zijn, maar kan ook een roerend cultureel goed in algemene zin zijn. Ook het omgekeerde is waar: een schat kan een ‘geklasseerd goed’ zijn.
uitvoer
Voor elk van deze types cultuurgoederen bepaalt het decreet de voorwaarden voor uitvoer. Schatten kunnen enkel tijdelijk uitgevoerd worden, mits een vergunning toegekend wordt. Geklasseerde goederen kunnen deze vergunning pas krijgen nadat ze ‘gemerkt’ zijn door een door de regering erkend identificatieprocedé. Het moet bovendien vóór vertrek vanuit en bij terugkeer naar de Franse Gemeenschap beschreven worden door de diensten van de Franse Gemeenschap. Zonder de voorafgaande toestemming van de bevoegde minister mag een geklasseerd goed niet worden verbouwd of verplaatst. De overheid kan de eigenaar subsidies verlenen voor het behoud en onderhoud van een geklasseerd goed en bezit in alle geval een recht op voorkoop wanneer het goed te koop zou worden aangeboden.
inventarisatie
Het is in Wallonië niet de bedoeling dat het statuut van ‘geklasseerd goed’ ad hoc wordt toegekend, zoals in Frankrijk. Het decreet bepaalt namelijk dat een inventaris van geklasseerde goederen en schatten van de Franse Gemeenschap wordt opgesteld. Dit gebeurt in tegenstelling tot Frankrijk niet wanneer een goed wordt aangeboden voor export, maar (in theorie) vanaf de bekendmaking van het decreet in het Belgisch Staatsblad. Artikel 24 schrijft zelfs precieze tijdsperiodes voor waarin dat moet gebeuren: een eerste inventaris, die alle geklasseerde goederen bevat, moest voltooid worden vóór december 2005; een tweede inventaris, met daarop alle geklasseerde goederen en schatten, moet voltooid zijn vóór december 2010.
Net zoals in Vlaanderen gaat het om een dynamische lijst: goederen kunnen niet alleen op de lijst verschijnen, maar kunnen daar ook opnieuw van verwijderd worden. Tot nog toe slaagde de Waalse overheid er spijtig genoeg niet in de bepalingen van dit decreet rond roerende culturele voorwerpen om te zetten naar de praktijk. De ambiguïteit in de status van ‘schatten’ en ‘geklasseerde goederen’, alsook het ontbreken van de nodige uitvoeringsbesluiten om dit decreet om te zetten in praktisch bruikbare bepalingen, speelt hierin zeker een rol.
De bescherming van immaterieel erfgoed
Hetzelfde decreet uit 2002 behandelt (ruim één jaar vóór de UNESCO-Conventie van 2003!) ook de bescherming van het immaterieel erfgoed. Daarbij vertrekt de Franstalige gemeenschap van een drietal begrippen die hier in Vlaanderen (vooralsnog) niet ingeburgerd zijn in het erfgoedbeleid.
De eerste is de ‘levendige culturele schat’: personen die een uitzonderlijke of zeldzame kennis of knowhow bezitten op het vlak van de technieken inzake bewaring en restauratie van het cultureel patrimonium of de traditionele ambacht.
De ‘meesterwerken van het mondeling en immaterieel patrimonium’ vormen een tweede uitgangspunt. Het zijn creaties die berusten op de traditie en waarvan erkend wordt dat deze een rol spelen in de vorming van de sociale of culturele identiteit van een gemeenschap, waarbij de normen en waarden mondeling overgedragen worden.
Ten slotte is er de ‘ruimte van het mondeling en immaterieel patrimonium’: de fysieke culturele ruimte waar regelmatig een meesterwerk van het mondeling en immaterieel patrimonium wordt opgevoerd.
Zij vormen de drie titels die de overheid kan toekennen en waarvoor de ‘drager’ subsidies vanwege de Franse Gemeenschap kan aanvragen mits aan bepaalde voorwaarden voldaan is. Hoewel dit onderdeel van het decreet wél een uitvoeringsbesluit kreeg (het Besluit van september 2003 betreffende de titels van levendige culturele schat en meesterwerk van het mondeling en immaterieel patrimonium […]), verloopt ook hier de omzetting van de theorie naar de praktijk niet zonder problemen. Zowel het decreet als het uitvoeringsbesluit geven onvoldoende (of zelfs geen) duidelijke criteria waaraan voldaan moet zijn om in aanmerking te komen voor een van de titels. Gevolg is opnieuw dat dit decreet tot nog toe dode letter bleef.
Maître d’Art
Anders is het gesteld in Frankrijk waar men de gelijkaardige titel ‘Maître d’Art’ kent, zij het niet strikt voorzien binnen het immaterieel erfgoedbeleid, maar zich eerder situerend in een beleid om oude en bedreigde ambachten nieuw (of blijvend) leven in te blazen. De ‘Maître d’Art’ wordt er beschouwd als een buitengewoon vakman die zeldzame, uitzonderlijke technieken en knowhow beheerst en door zijn gelijken erkend wordt omwille van zijn ervaring en expertise in het vak. Hij waakt over de evoluties binnen zijn vak en draagt op een innovatieve wijze daaraan bij. Bovendien wordt hij geloofd om zijn pedagogische activiteiten: de maître moet zijn kennis en knowhow doorgeven aan toekomstige generaties.
Heel concreet vindt die overdracht plaats in periodes van drie jaar, waarin de ‘maître’ een of meer leerlingen onderwijst. Hiervoor kan de maître een beroep doen op subsidies van het Franse Ministerie van Cultuur. De overheid legde zo’n 217 domeinen vast waarbinnen de ‘maître d’Art’ zich beweegt, waaronder costumier, vergulder, kalligraaf, wapensmid enz. Van de kleine honderd ‘maître d’Art’ die de Franse overheid intussen erkende, behoren er twaalf tot de wereld van de muziek en het muzikaal erfgoed. Het zijn voornamelijk instrumentenbouwers of –restaurateurs (van orgel, klavecimbel, fagot, gitaar, strijkinstrumenten, koperblazers). Opvallender zijn een strijkstokkenmaker (archetier) en producent van ponsbanden voor mechanische orgels (noteur).