Zoeken

Uniek theaterhandschrift gevonden

Met de vondst van een theaterhandschrift met bijgevoegde muziek is een uitzonderlijke bron voor de kennis van het Nederlandstalig muziektheater in de Zuidelijke Nederlanden opgedoken.

Het handschrift bevat de volledige tekst van de komedie ‘De Goede Doodt van Alexander’ en verwijst in de titelpagina naar Antwerpen, de Broederschap van de Goede Doodt en het jaar 1706. Naast de 5 akten van de komedie zijn ook een ‘Voorrede’ en ‘Narede’ toegevoegd en is ook een ‘Tusschenspel’ opgenomen. Het geheel is voorzien van beschrijvingen van de ‘Spektakels’ in de betreffende akten. In het handschrift is op verschillende plaatsen muziek toegevoegd. Ze bevatten de verschillende aria’s en instrumentale werken die ook in het theaterhandschrift zelf vermeld worden.

Alleen al in zijn volledigheid is deze bron zeldzaam, een reconstructie van de hele komedie is quasi integraal mogelijk. Bovendien is onze kennis over muziektheater in de Zuidelijke Nederlanden bijzonder schaars. Daarom vormt deze bron een belangrijke aanvulling (zie ook de mededeling van Karel Moens, conservator van het Museum Klank de Stad – Vleeshuis in Antwerpen, hieronder).

Het is eerder uitzonderlijk dat broederschappen zich inlaten met theater. In 1706 bestaat de Broederschap voor de Goede Doodt in Antwerpen, opgericht in de kerk van de Jezuïeten, 7 jaar. De link met de orde van de Sociëteit doet vermoeden dat deze wel eens medewerking zou hebben kunnen verleend aan de voorstelling. Voor de kennis van muziek bij de Jezuïeten is dit een waardevolle vondst (zie ook de mededeling van Goran Proot, bibliothecaris van de leeszaal preciosa van de bibliotheek van de Universiteit Antwerpen, hieronder). Zelfs internationaal zijn weinig volledige teksten van theaterspelen, laat staan met toegevoegde muziek, bewaard gebleven.

Het handschrift wordt in privébezit in Antwerpen bewaard, maakte ooit deel uit van de historische collectie van de families Van der Straelen-Moons-van Lerius en was tussen 1884 en 1886 voorwerp van verkoop via veiling. Wellicht werd het door Jan Frans Van der Straelen gekocht bij de verkoop van de bibliotheken van de Jezuïeten, op 26 maart 1779.

Karel Moens over het handschrift:

Het bekend worden van dit handschrift is om diverse redenen van groot belang voor de geschiedenis van het Nederlandstalig muziektheater. Tot voor kort kenden we nauwelijks voorbeelden van Nederlandstalig muziektheater uit de 17de en 18de eeuw. Als oudste en bijna enige voorbeeld gold De triompherende min van Hacquart/Buysero, vervaardigd in 1678 ter gelegenheid van de Vrede van Nijmegen. In de laatste tien jaar is het repertoire iets uitgebreid. Uit de Noordelijke Nederlanden kwamen er een paar zangspelen uit de late 17de eeuw bij: Ceres, Bacchus en Venus van Schenk/Bidloo uit 1686. Beide stukken bestaan uit één bedrijf, hebben simpele mythologische gegevens. In beide gevallen is de tekst volledig, de muziek deels bewaard gebleven. Verder zijn er nog Noord-Nederlandse zangspelen uit het laatste kwart van de 18de eeuw bekend. Voor de Zuidelijke Nederlanden was de oogst tot nog toe zeer mager. De triompherende min kan met wat goede wil ook als relevant voor onze gewesten worden beschouwd. Haquart was immers een Bruggeling. Het stuk werd nooit in het Noorden opgevoerd. Het is niet geweten of het in het Zuiden een opvoering kende, voordat Pieter Andriessen het in 1974 liet uitvoeren. Bij de voorbereiding van de nieuwe permanente opstelling Klank van de Stad in het Museum Vleeshuis, kwam een uitgebreid repertoire van 18de-eeuwse Nederlandstalige zangspelen naar boven, waarvan twee met integraal bewaarde muziek: Titon en Aurora uit 1759 en Signoôr in China: ofte de chinêsche Pomona uit 1761. De muziek is wellicht van Baustetter, het libretto van Emmerecht. Met het van Lerius-handschrift komt een eerste echt Zuid-Nederlands stuk muziektheater uit het begin van de 18de eeuw naar boven. Binnen de context van het Jezuïetentheater is dit zangspel een unicum.

Goran Proot over het handschrif:

Het toneelstuk in handschrift van het broederschap onder leiding van de Antwerpse Jezuïeten is om verschillende redenen van onschatbare waarde voor het onderzoek van de toneelpraktijk. In de eerste plaats is er geen enkel volledig handgeschreven toneelstuk van een dergelijk broederschap onder leiding van de Jezuïeten bekend. Ten tweede is er voor de Provincia Flandro-Belgica, die achttien colleges omvatte geen enkele volledige tekst in het Nederlands bekend. Ten derde zijn er slechts een zestigtal volledige teksten, in druk of in handschrift, bekend, en die zijn allemaal in het Latijn. Ten vierde kan slechts een handvol van deze volledige teksten aan een concreet college en een concreet jaar worden gekoppeld. Het voorliggende handschrift is wel gelokaliseerd en gedateerd. Ten vijfde bevat de tekst uitgeschreven tussenspelen, wat voor Vlaanderen een unicum is en een verhelderend licht werpt op de zeer beknopte titels of motto’s van tussenspelen in ander Jezuïetentoneel. Tot slot is de toevoeging van meerstemmige muziek zonder meer een internationaal unicum. Dit handschrift vormt tot nu toe de enige betrouwbare en complete bron voor de bestudering van de voor het overige zeer schaarse en vage aanwijzingen over het gebruik van muziek op het toneel van de Jezuïeten in Vlaanderen en daarbuiten.

Klaas Jaap van der Meijden