Topstukken in het buitenland: het Verenigd Koninkrijk
In onze reeks over topstukken in het buitenland kijken we deze aflevering naar het Verenigd Koninkrijk. Dit land was één van de eerste in Europa waar de export van culturele goederen aan banden werd gelegd. De wetgeving is inmiddels meer dan zeventig jaar oud, maar lijkt – ondanks de vele wijzigingen en aanvullingen van het beleid – niet tot veel resultaten te leiden binnen het muzikaal erfgoed. Toch kon de voorbije jaren een aantal opmerkelijke muzikale topstukken binnen de eigen grenzen gehouden worden, dankzij de buitengewone inzet van de openbare bewaarinstellingen en het Britse publiek.
Al aan het einde van de negentiende eeuw groeide in het Verenigd Koninkrijk het besef dat de export van culturele goederen gereguleerd moest worden. De bijzondere aandacht van Amerikaanse en Duitse verzamelaars maakte dat een groot aantal privécollecties in het buitenland verkocht werd aan prijzen die de financiële mogelijkheden van de Engelse bewaarinstellingen en overheden ver overschreden. In 1903 werd het National Art Collections Fund opgericht, om nationale en provinciale bewaarinstellingen te helpen voorzien in de middelen die nodig waren om belangrijke collecties te verwerven. Ruim dertig jaar later (in 1939) werd de export van goederen dan ook wettelijk vastgelegd, met de Import, Export and Customs Powers (Defence) Act, die tot vandaag – weliswaar in gewijzigde en aangevulde vorm – de basis vormt voor de bescherming van culturele goederen.
wetgeving
Sinds de jaren negentig van de vorige eeuw baseert het Verenigd Koninkrijk haar beleid rond de exportcontrole op culturele goederen zowel op de EG-Verordening betreffende de uitvoer van cultuurgoederen als op eigen aanvullende wetten, namelijk de Export Control Act uit 2002 en de Export of Objects of Cultural Interest (Control) Order van 2003. Wil men een cultureel object buiten het douanegebied van de Europese Gemeenschap exporteren, dan geldt de Europese verordening. Concreet betekent dit dat deze culturele objecten getoetst moeten worden aan de categorieën en financiële drempels zoals die in de Verordening vastgelegd zijn (zie aflevering 1 van deze reeks ). Beperkt de export zich tot landen die wél tot het douanegebied behoren, dan is de eigen Britse wetgeving van toepassing. Die voorziet in verschillende types vergunning: de zogenaamde ‘open’ en ‘specifieke’ (of ‘individuele’) vergunningen. Algemeen geldend principe is dat voor elk object van cultureel belang, ouder dan vijftig jaar op het moment van uitvoer, een ‘specifieke’ vergunning aangevraagd moet worden bij de Museums, Libraries and Archives Council (MLA), die verantwoordelijk is voor de coördinatie van de exportcontrole en de administratieve verwerking van de aanvragen.
De ‘open’ vergunning maakt het echter mogelijk culturele goederen uit te voeren zonder dat daarvoor een ‘individuele’ vergunning moet worden aangevraagd. Op die manier tracht de overheid de administratieve last voor de MLA tot een minimum te herleiden. Binnen de ‘open’ vergunningen zijn er twee types. In de eerste plaats zijn er de zogenaamde OGEL-limieten (Open General Export Licence) waarbij de overheid – in navolging van de Europese Verordening – vertrekt van een aantal vooraf bepaalde categorieën van culturele goederen: manuscripten, archieven, textiel, portretten, foto’s, enz. Naast de minimumleeftijd van vijftig jaar (die altijd geldt bij exportvergunningen) wordt aan deze objecten ook een financiële waarde gekoppeld, gaande van 0 tot ₤180.000 (zie ook de tabel in bijlage 1). Enkel wanneer een object behoort tot één van de categorieën en beantwoordt aan de leeftijds- of financiële criteria, is men verplicht een individuele vergunning aan te vragen om het object te kunnen uitvoeren naar andere lidstaten van de Europese Gemeenschap. Ten tweede is er de Open Individual Export Licence (OIEL) die door het Ministerie van Cultuur, Media en Sport kan worden uitgereikt aan bepaalde personen of organisaties die vaak cultuurgoederen moeten exporteren, bijvoorbeeld omwille van professionele activiteiten.
de Waverley criteria
Interessanter is het echter dat elke aanvraag tot exportvergunning geweigerd kan worden vanuit het ‘nationaal belang’ dat een object/document of verzameling objecten/documenten heeft. Wanneer veronderstelt wordt dat het object een uitzonderlijke waarde heeft voor het Britse erfgoed, dan wordt het aanvraagdossier voorgelegd aan een extern expert, die de uitzonderlijke waarde van het object of document toetst aan de drie zogenaamde Waverley criteria. Zij meten de historische en esthetische waarde van het voorwerp, naast zijn waarde als ‘studie-object’. De Waverley criteria zijn geformuleerd als een vraag:
Is het object zo nauw verbonden met onze (Britse) geschiedenis en het nationale leven dat het vertrek ervan een ‘catastrofe’ zou zijn?
Heeft het object een uitzonderlijk esthetisch belang?
Heeft het object een uitzonderlijke betekenis in de studie van de kunst of geschiedenis?
Er wordt geen hiërarchisch onderscheid gemaakt tussen deze criteria: elk is even belangrijk als de andere. Bovendien volstaat het dat objecten of documenten slechts aan één van deze criteria voldoen om als ‘nationale schat’ beschouwd te kunnen worden. Voor deze nationale schatten bestaat er een aparte procedure in de afhandeling van exportaanvragen: Wanneer de geconsulteerde expert meent dat het item voldoet aan een van de Waverley criteria, wordt de exportaanvraag even ‘on hold’ gezet. Pas na een hoorzitting, waar de expert en de bezitter van het object of document hun visie kenbaar konden maken, zal een speciale commissie (de Reviewing Committee on the Export of Works of Art and Objects of Cultural Interest) een definitief oordeel vellen over de status van het object als ‘nationale schat’. Velt deze commissie inderdaad een positief oordeel, dan wordt het toekennen van een exportvergunning voor bepaalde tijd uitgesteld met als doel de verkoop van het item aan bewaarinstellingen, organisaties of privépersonen in het Verenigd Koninkrijk mogelijk te maken.
De extra tijd die zo gewonnen wordt, kan door instellingen gebruikt worden om de fondsen nodig voor de verwerving te verzamelen. De enige voorwaarde is dat een eventueel bod de reguliere marktprijzen weerspiegelt. Het staat de eigenaar van het object of het document echter volledig vrij een bod te aanvaarden of te weigeren, al kan dit gevolgen hebben voor het al dan niet toekennen van een exportvergunning. Bij aanvaarding van het bod vervalt de aanvraag tot exportvergunning, omdat het object dan aanwezig blijft op Brits grondgebied. Weigert de eigenaar een bod dat overeenstemt met de te verwachten marktprijs, dan is de overheid niet verplicht de exportvergunning alsnog uit te reiken. Wanneer niemand er in slaagt de nodige fondsen te verwerven en er dus geen rechtmatig bod volgt, dan zal de overheid de vergunning wel toestaan.
de realiteit
Gedurende de laatste tien jaar werden jaarlijks tussen achttien en veertig dossiers doorverwezen naar de Reviewing Committee on the Export of Works of Art and Objects of Cultural Interest. Voor een beperkter aantal daarvan werd de beslissing over een exportvergunning uitgesteld omdat het object of document na onderzoek wel degelijk leek te beantwoorden aan één van de Waverley criteria (gemiddeld zo’n negen tot vierendertig dossiers per jaar). Minstens de helft van die items kon dankzij dit uitstel in het Verenigd Koninkrijk blijven omdat ze werden aangekocht door bewaarinstellingen of particulieren. Het jaarverslag van de MLA uit 2007-2008 voorziet een volledige lijst van items die sinds 1997 tot ‘nationale schat’ verklaard werden en in het land konden blijven (bijlage 2). Op die lijst ontbreekt echter elk spoor van muzikaal erfgoed.
'Acceptance in Lieu'
Dit ontbreken van muzikaal erfgoed is allicht deels te verklaren via een andere regeling die de Britse overheid trof: de Acceptance in Lieu. Die maakt het eigenaars van cultureel erfgoed mogelijk objecten of documenten af te staan in ruil voor belastingvermindering, meestal erfenisrechten. Items die aanvaard worden via dit reglement, komen terecht in de publieke collecties van het Verenigd Koninkrijk. Het is dus niet de Britse overheid die instaat voor de verwerving en het beheer van deze objecten en documenten, maar wel de publieke bewaarinstellingen. De items moeten evenwel een uitzonderlijke waarde bezitten, wat wordt afgewogen aan de volgende criteria (die gebaseerd zijn op de Waverley criteria):
Het object heeft een nauwe band met de Britse geschiedenis en het nationale leven.
Het object heeft een bijzonder artistiek of kunsthistorisch belang.
Het object is belangrijk voor de studie van de kunsten of de geschiedenis.
het object heeft een bijzondere, nauwe band met een bepaalde historische setting.
Ook hier geldt dat niet aan alle criteria moet voldaan zijn, en dat er geen hiërarchisch onderscheid bestaat.
De persoon die het object of meerdere objecten aanbiedt, moet zelf een prijsvoorstel indienen waartegen het object ‘ingeruild’ kan worden voor belastingvermindering. Ook kan hij een voorstel doen tot herbestemming en zijn voorkeur melden voor een bepaalde instelling (museum, galerij, bibliotheek of archiefinstelling). De afhandeling van de dossiers wordt overgelaten aan de MLA. Die laat zich daarin bijstaan door externe experts die niet alleen onderzoeken of het item voldoet aan de criteria, maar ook in welke staat het object verkeert (en of die staat aanvaardbaar is) en of het object wordt aangeboden aan een realistische prijs, die maximaal overeenkomt met de eigenlijke marktwaarde. Op basis van de aanbevelingen van de experts, velt de MLA een definitief oordeel. Die laatste beslist ook over de herbestemming van het object. Ze houdt daarbij rekening met de eventuele wensen van de oorspronkelijke eigenaar, met eventuele reeds bestaande bruiklenen, met de reeds aanwezige collectie, met de mogelijkheden van de instellingen om het object adequaat en veilig beschikbaar te stellen, met valorisatiemogelijkheden, enz.
muzikaal erfgoed
De variatie aan objecten en documenten die de voorbije jaren aangeboden werden, is erg groot. Het merendeel bestaat uit schilderijen, archieven en boeken, maar ook meubels, juwelen, wapens of zelfs schepen kunnen in aanmerking komen. Ook muzikaal erfgoed is er in terug te vinden: in 2005 werden vroege drukken van Mozarts sonates voor klavecimbel en viool (uit 1765) aangeboden binnen de Acceptance in Lieu. Ze werden voor een totaalbedrag van ₤350.000 (belastingvermindering) aanvaard en zijn thans te vinden in de Bodleian Library in Oxford (bijlage 3). In 2006 slaagde de British Library er in My Ladye Nevells Booke te verwerven, een uit 1591 daterend manuscript dat meer dan veertig klavierwerken van componist William Byrd bevat (bijlage 4). De waarde van dit document (zo’n ₤980.000) lag aanzienlijk hoger dan de belastingvermindering die de oorspronkelijke eigenaar wou bedingen (₤575.931). Datzelfde jaar werd ook een Stradivarius aangeboden, momenteel eigendom van The Royal Academy of Music (bijlage 5). Ook bij dit object lag de geschatte waarde (zo’n ₤2.450.000) veel hoger dan de belastingvermindering die de eigenaars konden bekomen (‘slechts’ ₤395.453). Die laatste twee vormen dan ook een bijzonder mooi verhaal. De Britse wetgeving bepaalt namelijk dat wanneer de bedongen belastingvermindering minder bedraagt dan de eigenlijke waarde van het object of document, de nieuwe bewaarinstelling het tekort in de financiële compensatie zelf moet zien te verzamelen. Via fondsenwerving en voor een groot deel dankzij particuliere giften (voor de Stradivarius zelfs oplopend tot ₤1,45 miljoen), konden de beide objecten toch in het Verenigd Koninkrijk blijven.