De bescherming van cultureel erfgoed in een internationale context
Als eerste artikel in de reeks ‘topstukken in het buitenland’, gaan we in deze nieuwsbrief dieper in op de globale en Europese context. In de volgende nieuwsbrieven gaan we specifiek in op het beleid in enkele landen. De bescherming van cultureel erfgoed kwam de voorbij eeuw immers steeds meer op de internationale agenda te staan. Onder andere Unesco en de Europese Unie droegen hun steentje bij. Maar wat houdt die bescherming precies in?
De titel van dit artikel zegt tegelijk zoveel en eigenlijk niets. Want wat bedoelt men precies als men spreekt over de ‘bescherming’ van erfgoed? Het is op zichzelf een term die in de erfgoedwereld zo vanzelfsprekend is - zonder bescherming geen erfgoed - maar eigenlijk ook niet. Bescherming kan met betrekking tot erfgoed zeer veel betekenissen hebben, die deels mee bepaald worden door het soort erfgoed dat men in gedachten heeft. Onroerend, roerend en immaterieel erfgoed stellen immers elk vanuit hun eigen aard soms dezelfde, soms heel eigen, specifieke eisen aan wat hun bescherming inhoudt (of zou moeten inhouden). Maar ook de visie van een (nationale of internationale) gemeenschap op erfgoed bepaalt mee wat de bescherming inhoudt.
Bescherming bij conflicten
Een van de eerste richtlijnen met betrekking tot het beschermen van cultureel erfgoed is te vinden in de Conventie betreffende de wetten en gebruiken van oorlogsvoering op het land, resulterend uit de Eerste en Tweede Conferenties van Den Haag uit 1899 en 1907. Deze regelden een verbod op het bombarderen van gebouwen gewijd aan o.a. religie, kunst en wetenschap en historische monumenten. In de eerste plaats werd het onroerend erfgoed bedoeld al kon de Engelse term property ook op roerende goederen slaan. Erg gedetailleerd was deze conventie niet. De gebouwen in kwestie moesten bijvoorbeeld gemerkt worden maar hoe dit moest gebeuren was onduidelijk. Een bezetter was ook verplicht maatregelen ter bescherming van deze gebouwen in bezet gebied te nemen maar om welke maatregelen het ging, werd niet uitgewerkt.
De Wereldoorlogen en hun catastrofale gevolgen brachten al gauw het besef met zich mee dat de bestaande bescherming ontoereikend was. Om daaraan tegemoet te komen ontstond in 1954, onder het toeziend oog van Unesco, de Conventie voor de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict. De conventie van 1954 bouwde verder op de conventies van 1899 en 1907, maar ook op het Roerich Pact (1935), dat de Amerikaanse Staten (de VSA als geheel en enkele Zuid-Amerikaanse staten) ondertekenden.
Niet enkel historische monumenten, musea, scholen en instellingen van wetenschappelijke, artistieke of culturele aard, maar ook het personeel dat er werkt genoten vanaf toen neutraliteit en werden verplicht als dusdanig gerespecteerd en beschermd te worden. Bovendien vermeldt het pact dat de bescherming zowel in tijden van een gewapend of ongewapend conflict, als in vredestijd gewaarborgd moet worden. Ook in de concrete organisatie werd men preciezer: de monumenten en gebouwen worden gemerkt met een embleem (het bekende wit-blauwe schild) en ingeschreven op een lijst, het International Register of Cultural Property under Special Protection.
Een belangrijke toevoeging ten aanzien van vorige conventies, bestaat in de bewustwording dat het militair personeel, en liefst zelfs de hele burgerbevolking, onderricht moet worden over de inhoud van het verdrag, zodat respect voor culturele goederen een quasi-vanzelfsprekendheid wordt. Gespecialiseerd personeel binnen de militaire rangen moet toezien op de uitvoering van de bepalingen van het verdrag.
De conventie van 1954 brengt de definitie van ‘culturele goederen’ ook voor het eerst in verband met de term ‘erfgoed’. In de eerste plaats wenst het verdrag roerende of onroerende goederen te beschermen, die van groot belang zijn voor het cultureel erfgoed van alle mensen. De invulling van dit begrip omvatte tal van roerende en onroerende goederen en werd breed geïnterpreteerd.
Aan de oorspronkelijke conventie van 1954 werden twee protocollen toegevoegd: één ter verhindering van de export van cultureel erfgoed tijdens gewapende conflicten en één die de bescherming ervan verder preciseert. Deze laatste deed een Fonds en Comité ontstaan voor de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict.
In de eeuw die de periode tussen de Conventie van 1899 en het Tweede Protocol bij de Conventie voor de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict (1999) omspant, evolueerden de verdragen met betrekking tot bescherming van culturele goederen in geval van conflicten van een opsomming van enkele eenvoudige, rudimentaire maatregelen tot een samenhangend en uitgebreid document. Doorheen die jaren kregen de voorgestelde maatregelen en procedures steeds meer concreet vorm en werd het gebied van de goederen die voor bescherming in aanmerking komen steeds verder gepreciseerd. Beide evoluties zijn een gevolg van de ontwikkelingen op het gebied van oorlogsvoering, van een ruimer wordende visie op erfgoed dat bewaard moet worden voor de toekomst.
Uiteraard kan men zich vragen stellen bij de effecten van deze verdragen en bijhorende protocollen, aangezien het geografische toepassingsgebied beperkt blijft tot de landen die deze ook ratificeren of aanvaarden. Op dit moment staat de teller voor de Conventie van 1954 op 111, en zowel voor de eigenlijke conventie als voor haar Eerste Protocol geldt dat verschillende landen zelfs na de aanvang van de 21e eeuw nog toegetreden zijn. Ook het Tweede Protocol dat pas ontworpen werd in 1999, kan intussen op de steun van meer dan 50 landen rekenen. Die ‘populariteit’ wijst enkel op het toenemend belang van erfgoed in de wereldgemeenschap. Misschien speelt het ook een rol dat deze bescherming geen ‘topstukken’ voor ogen heeft, maar in tegenstelling uitgaat van een zo breed mogelijk toepassingsgebied.
Bescherming tegen de uitvoer van culturele goederen
Keren we even terug naar Europa, waar we – naast Unesco – een tweede belangrijke speler vinden met betrekking tot de bescherming van cultureel erfgoed, namelijk in de vorm van de Europese Gemeenschap zelf. Met Verordening (EG) nr. 116/2009 betreffende de uitvoer van cultuurgoederen neemt die namelijk maatregelen met betrekking tot de uitvoer van cultuurgoederen buiten het douanegebied van de Europese Gemeenschap. Deze verordening, die oorspronkelijk dateert uit 1992, maar intussen aan een aantal wijzigingen onderhevig was, zorgt voor een eenvormige controle op de uitvoer van cultuurgoederen. De verordening eist dat bij de uitvoer van cultuurgoederen buiten het douanegebied van de Europese Gemeenschap een vergunning voorgelegd wordt, die wordt afgeleverd door de bevoegde instanties in het land van herkomst.
Opmerkelijk is dat de cultuurgoederen waarvoor een uitvoervergunning moet worden voorgelegd, tot een aantal zeer concrete categorieën herleid worden en dat deze categorieën onmiddellijk ook verbonden worden aan bepaalde financiële waarden.
Mits lichte nuancering hanteert de Europese Unie dezelfde categorisering – met bijhorende financiële waardedrempels – ook in haar Richtlijn betreffende de teruggave van cultuurgoederen die op onrechtmatige wijze buiten het grondgebied van een lidstaat zijn gebracht (oorspronkelijk richtlijn 93/7/EEG van 15 maart 1993). In concreto wordt een uitzondering gemaakt op het vrij verkeer van diensten en goederen door verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer toe te laten, welke ‘gerechtvaardigd zijn uit hoofde van bescherming van […] het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit […]’. In deze context betekent ‘onrechtmatig buiten het grondgebied brengen’ dat men ingaat tegen de wetten die in een lidstaat van kracht zijn op het vlak van uitvoer van nationaal beschermde cultuurgoederen (in het geval van Vlaanderen bijvoorbeeld het Topstukkendecreet.
De Europese maatregel omhelst en regelt, zeer gedetailleerd, de illegale uitvoer van cultuurgoederen uit een Europees land, maar zwijgt spijtig genoeg over de invoer van cultureel erfgoed uit niet EU-landen.
Heidi Moyson
Volgende keer: de bescherming van immaterieel erfgoed in een internationale context. Topstukkenbeleid in de Benelux.