Resonant, Centrum voor Vlaams muzikaal erfgoed en het Internationaal Festival van Vlaanderen - Gent organiseerden in samenwerking met de Provincie Oost-Vlaanderen, ‘de Queeste, een zoektocht naar muzikaal erfgoed in Oost-Vlaanderen’. Een veertigtal deelnemers daagde op 30 september op om te vernemen wat de historische of muzikale waarde was van hun partituren, brieven, instrumenten of andere objecten.
De onderliggende gedachte van het project was het in kaart brengen van muzikaal erfgoed grotendeels bij particulieren, waarbij in één beweging ook informerend en sensibiliserend te werk werd gegaan. Na een vooronderzoek en een uitgebreide promotieactie hielden op zondag 30 september twee bussen halt in een aantal Oost-Vlaamse steden. Aan boord waren telkens een drietal experten die dit erfgoed kaderden in hun context en duiding gaven.
De oudste stukken werden teruggevonden in Watervliet, waar de kerkfabriek een bijzonder fraaie en volledige collectie liturgische drukken bewaart. Een in Frankrijk gedrukt antifonarium uit 1624 werd als voorbeeld gepresenteerd. In Geraardsbergen dook een antifonarium uit 1773 op, gedrukt in Antwerpen in de ateliers van Plantin-Moretus. In Sint-Niklaas bezit de Koninklijke Oudheidkundige Kring van het Land van Waas enkele waardevolle stukken, waaronder een interessant handschrift uit 1764 van François Krafft en een toneelstuk van de plaatselijke rederijkerskamer met meerstemmige liederen en een ‘slotkoor’.
Een verzamelaar toonde brieven van heel wat belangrijke nationale (Joseph Jongen, André-Ernest-Modeste Grétry) en internationale (Giovanni Legrenzi, Sergei Prokofiev) componisten uit de zeventiende tot de twintigste eeuw. Materiaal omtrent bekende Vlaamse componisten was terug te vinden in kleinere collecties: een familie legde enkele interessante handschriften van en documentatie over Peter Benoit voor, verschillende deelnemers hadden handschriften met muziek van Edgard Tinel. Een erfgenaam van Emiel De Bruyne bracht enkele handschriften en objecten van haar grootvader mee: een lokale componist-dirigent. Serge Platel, directeur van het Festival, had werk van componerende grootooms in zijn bezit, waaronder een gedrukte liedbundel, voorzien van choreografische aanduidingen. Daarnaast dook diverse bladmuziek op, die aanleiding gaf tot interessante gesprekken over lokale componisten.
Muzikaal erfgoed werd niet alleen gevonden in de vorm van muziekhandschriften, -drukken en archiefmateriaal, ook heel wat instrumenten kwamen aan bod. Een vermoedelijk achttiende-eeuws serpent was ooit eigendom van de rederijkerskamer van Rupelmonde maar is nu in handen van de oudheidkundige kring van Sint-Niklaas. In Dendermonde bleek een aantal Franse houtblaasinstrumenten zeer zeldzaam en waardevol te zijn. De maker, de uit Duitsland afkomstige Georg Ludwig Wilhelm Triebert, vestigde zich in 1804 in Parijs en liet zich snel opmerken als bouwer van hobo’s en fagotten. Een hobo en een Engelse hoorn van uitzonderlijke makelij maakten grote indruk op Karel Moens, conservator van het Vleeshuismuseum (Klank van de stad) te Antwerpen. Saskia Willaert, verbonden aan het Brusselse Muziekinstrumentenmuseum kreeg een bijzonder interessante saxtrombone te zien: een type trombone met zes onafhankelijke ventielen dat in 1852 door Adolphe Sax gepatenteerd werd. Op de twee bussen samen werden drie citers aangebracht, instrumenten die ontstaan zijn als volksinstrument in de Duitse Alpen en die als toeristisch exportproduct bij ons zijn beland zonder evenwel ooit ingeburgerd geraakt te zijn. Vermeldenswaardig zijn verder de twee accordeons uit Lichtervelde – een centrum voor accordeonbouw tussen ca. 1890 en de tweede wereldoorlog – waarvan één nog bespeelbaar is, een mooie trommel uit 1890 van de schutterij van Evergem en een draagbaar harmonium dat volgens organist Joost Vermeiren gebruikt werd door rondtrekkende pastoors om de gelovigen nieuwe liederen aan te leren.
Tien violen, waarvan er vijf het befaamde ‘Stradivarius’-etiket dragen, werden door de experten bestudeerd. Zoals te verwachten was, resulteerde dat niet in de vondst van een authentieke Stradivarius. In veel gevallen kon uit de bouw worden afgeleid dat het instrument in de twintigste eeuw in Duitsland (vb. in de regio van het Ertsgebergte) was gebouwd en dus niet in het achttiende-eeuwse Italië. In Gent dook een viool op die toegeschreven wordt aan Carlo Antonio Testore (1693-ca. 1765). Ook kwam een viool aan bod die wellicht afkomstig is uit de werkplaats van Jean-Baptiste Vuillaume (1798-1875). Een andere viool wordt bewaard in Sint-Pauwels en werd in het begin van de twintigste eeuw wellicht in Duitsland samengesteld uit bewerkte oudere stukken. Aan dit instrument is een bijzonder aangrijpend verhaal verbonden over een opstand in Warschau tijdens de tweede wereldoorlog.
In Geraardsbergen, een voormalige sigarenstad, gaf een verzamelaar van een grote collectie lithografieën zelf tekst en uitleg bij de prenten waarop componisten, instrumenten en taferelen zijn afgebeeld. Ook had de collectioneur enkele muziek/sigarendozen bij. Een andere deelnemer uit Geraardsbergen verzamelt uitsluitend muziekdoosjes en muziekautomaten uit de periode 1880-1905. In Sint-Niklaas ten slotte bracht een dame haar volledige collectie inheemse en exotische fluiten (ongeveer 280 exemplaren) mee naar de bus.
Zo resulteerde het eerste deel van de Queeste in een vruchtbare dag waarin verhalen, bevindingen en expertise werden uitgewisseld en de bezitters werden geïnformeerd over hun muzikale eigendommen. Resonant verwerkt alle informatie in Muziekbank Vlaanderen. Het Festival van Vlaanderen - Gent i.s.m. Resonant, zal in 2008 uitpakken met een aantal concerten gebaseerd op dit aanbod aan partituren, archieven, verhalen en instrumenten, om op die manier nog meer bezitters van muzikaal erfgoed te stimuleren hun muzikale schatten te koesteren en eventueel te laten registreren.
De Queeste werd georganiseerd met de steun van de Vlaamse Gemeenschap, de Provincie Oost-Vlaanderen, Radio 2 en de Nationale Loterij.