- home
- Maak kennis
- Aan de slag
- voor beiaardiers
- Voor studenten
- Handboek Muzikaal Erfgoed
- Thema's
- nieuws
- Over Resonant
acquisitie: verwerving; alle activiteiten van de archiefbeheerder die leiden tot de overname van archiefbescheiden in bruikleen of eigendom.
aërofonen: term die gebruikt wordt binnen de classificatie van de muziekinstrumenten. Met deze term duidt men de groep muziekinstrumenten aan die geluid produceren door trillingen van de luchtkolom.
akkoord: het samenklinken van twee of meerdere noten, in de praktijk meestal drie of vier.
altus: afkorting van ‘contratenor altus’. Vanaf de zestiende eeuw werd met de term altus de stem aangeduid die onder de superius ligt. Qua bereik overlapt de altus min of meer met de tenor.
antifonarium: liturgisch koorboek van de westerse kerk dat de antifonen en andere koorgezangen (zoals responsoria, hymnes en psalmen) van het officie bevat. De ordening van de gezangen volgt de indeling van het liturgisch jaar, dat begint met de eerste adventsdag. Omdat het antifonarium meestal zowel de gezangen voor zon- en feestdagen bevat als de gezangen voor heiligenfeesten, wordt het vaak opgesplitst in een zomer- en een winterdeel.
antifoon: liturgisch gezang uitgevoerd in combinatie met een psalm, soms ook als zelfstandig gezang. De antifoon geldt als een soort refrein bij de psalm.
archief: een archief is een organisch gegroeide verzameling, die het resultaat is van de activiteiten van een persoon, groep personen of organisatie. Het archief komt binnen een bepaald werkproces (in uitvoering van een bepaalde taak) tot stand. Het archief is in tegenstelling tot een collectie geen bewust aangelegde verzameling.
archiefbescheiden: het geheel van (doorgaans) unieke documenten die de neerslag vormen van de activiteiten of taken van een persoon, een groep personen of organisatie. Naast handgeschreven kunnen ook gedrukte en digitale documenten deel uitmaken van archiefbescheiden.
archiefdocument: een geheel van samenhangende gegevens, vastgelegd op een of meer gegevensdragers. Een synoniem voor ‘archiefdocument’ is ‘stuk’. Het meervoud ‘documenten’ is synoniem voor ‘archiefbescheiden’.
archiefinventaris: beschrijvende toegang tot een archief, die uitgaat van de ordening die de archiefvormer toepast in het archief. Alle bestanddelen van het archief worden in de archiefinventaris zodoende in systematische volgorde geplaatst en zo nauwkeurig mogelijk beschreven, zodat snelle opzoeking in het archief mogelijk is. De archiefinventaris is vaak voorzien van een overzicht van de geschiedenis van de bestandsvormer, van de archiefvorming, de ordening en de archiefomvang.
archiefstuk: zie archiefdocument, archiefbescheiden.
archivalia: synoniem voor ‘archiefbescheiden’.
aria: een lyrisch muziekstuk voor een of meerdere stemmen, met of zonder instrumentale begeleiding. De aria kan een afzonderlijke compositie zijn of deel uitmaken van een opera, oratorium, cantate of een ander groot werk.
arpeggio: muzikale speelwijze waarbij een akkoord ‘gebroken’ of uitgespreid wordt, zodat de afzonderlijke akkoordnoten successief klinken i.p.v. simultaan. Vooral in klaviermuziek en op snaarinstrumenten is het arpeggio een veelgebruikte techniek.
arrangement: de herziening van een muzikale compositie, meestal voor een andere bezetting dan het oorspronkelijke.
Ars antiqua: term gebruikt in de veertiende eeuw om de muziek van de onmiddellijke dertiende-eeuwse voorgangers te onderscheiden van de eigen nieuwe ontwikkelingen, die onder de benaming Ars Nova samengevat werden.
Ars Nova: algemene term waarmee contemporaine componisten de veertiende-eeuwse Franse polyfone muziek aanduidden. De ontwikkelingen die zich toen voltrokken op het vlak van notatie, zorgden voor een waaier aan nieuwe muzikale mogelijkheden.
ballade: muziekgenre. 1. In de muziek van de late middeleeuwen en renaissance is de ballade een vocaal genre op Franse tekst (chanson), behorend tot de zogenaamde ‘formes fixes’. Dit betekent dat de ballade gebaseerd is op een vaste poëtische vorm, bestaande uit een aantal strofen en een refreinelement. De poëtische structuur lag bovendien aan de basis van de muzikale structuur: strofen en refreinelement krijgen eigen muziek. Naast de ballade behoren ook het rondeau en de virelai tot de ‘formes fixes’. 2. In de negentiende eeuw zou componist Frédéric Chopin de term ballade gebruiken voor instrumentale composities met een narratief en dramatisch karakter. 3. In moderne muziek kan men met de term ballade (of ‘ballad’) zowel een vocaal narratief lied als een – meestal traag en sentimenteel – liefdeslied bedoelen.
barokmusette: muziekinstrument. Franse doedelzak uit de achttiende eeuw.
basso continuo: bepaalde vorm van begeleiding in vocale of instrumentale muziek, vooral gebruikt in de barok. Bij de basso continuo worden geen volledige akkoorden genoteerd in notenschrift, maar slechts enkel een baslijn, die van cijfers en cijfercombinaties is voorzien. Uit deze toegevoegde cijfers kan de uitvoerder de volledige akkoorden afleiden. De basso continuo wordt vaak uitgevoerd op meerdere instrumenten tegelijk: een melodisch instrument dat enkel de genoteerde baslijn uitvoert, bijvoorbeeld de cello of de fagot, en een harmonisch instrument dat zowel de baslijn als de erbij horende akkoorden uitvoert. Voor het akkoordspel stond vaak het klavecimbel in.
bassus: de laagste stem in een polyfone compositie. In de tweede helft van de vijftiende eeuw, op het moment dat vierstemmigheid steeds gebruikelijker werd, gebruikten componisten verschillende termen om de laagste stem aan te duiden. Bassus is in feite de verkorte vorm van contratenor bassus (‘lage stem tegen de tenor’), waarmee de stem onmiddellijk onder de tenor en de laagste in het ensemble bedoeld wordt.
beeldmotet: specifieke vorm van muziekiconografie, ontstaan in Antwerpen op het einde van de zestiende eeuw. Het betreft religieuze of allegorische afbeeldingen waarin de muziek van korte motetten is opgenomen. Men kan dergelijke afbeeldingen terugvinden als schilderij of als gravure. De kunstenaars die er aan meewerkten – een ontwerper (meestal kunstschilder), graveur en componist – zijn vaak grote namen, zoals Maarten de Vos, Johannes Sadeler en – wat de muziek betreft – Andreas Pévernage en Cornelis Verdonck.
beiaard: muziekinstrument. De beiaard bestaat uit minstens 23 bronzen klokken, die verbonden zijn met een specifiek type klavier. Dit stokkenklavier wordt door de beiaardier bespeeld met de vuisten. Een standaard beiaard telt 49 klokken. Bepaalde beiaarden beschikken ook over een automatisch speelmechanisme, dat aangestuurd wordt door een uurwerk.
beiaardautomaat: speeltrommel.
beiaardtrommel: speeltrommel.
bellenspeelklok: uurwerk dat voorzien is van kleine belletjes of klokjes, die door een automatisch speelwerk aangedreven worden zodat muziek wordt geproduceerd. De muziek is in de vorm van pinnen vastgelegd op een kleine speeltrommel. De bellenspeelklok functioneert als een beiaard voor de huiskamer, die zijn melodie laat horen voordat de hele en halve uren geslagen worden.
bestand: een afgelijnd geheel gegevens of documenten die bijeengebracht zijn met een bepaald doel en in onderlinge samenhang te raadplegen zijn. Het medium waarop de gegevens zijn vastgelegd, speelt geen rol (papier, microfilm, digitaal).
bestandsvormer: de organisatie(s) of de perso(o)n(en) die verantwoordelijk is/zijn voor de totstandkoming en het beheer van het bestand.
bewaarbibliotheek: bibliotheek die er naar streeft alle eens verworven publicaties en andere documenten permanent in de collectie te bewaren en in goede staat te houden.
bezetting: instrumentatie. Het aantal en type muziekinstrumenten waarvoor een compositie geschreven werd of die een werk uitvoeren.
boventoon: niet-waarneembare meeklinkende hogere toon. Elke toonhoogte die geproduceerd wordt door een trillend lichaam, bestaat niet alleen uit een door het oor waarneembare basisfrequentie, die de basistoonhoogte bepaalt, maar ook uit andere trillingen. De frequenties van deze bijkomende trillingen, in vaste proporties ten opzichte van de basisfrequentie, produceren de boventonen die niet waarneembaar zijn. De frequentie van de boventonen ligt hoger dan de door het oor waargenomen basistoon. Het fenomeen van de boventonen komt voor bij alle akoestische instrumenten. Het aantal, de samenstelling en combinaties van de boventonen bepalen bij deze instrumenten zeer sterk het timbre of de klankkleur. Elektronische instrumenten produceren vaak sinustonen, dit zijn tonen zonder boventonen.
breviarium: liturgisch boek van de westerse kerk, voor gebruik tijdens het officie. In de regel bevat het enkel de officieteksten, waardoor het de tegenhanger is van het antifonarium, dat wél alle gezangen bevat, hoewel sommige breviaria muzieknotatie bevatten.
campanologie: de wetenschappelijke studie van klokken en klokkenspelen. De campanologie bestudeert de fysische eigenschappen van klokken en beiaarden, en plaatst deze in hun historische, sociale en artistieke context.
cantate: muziekgenre. De cantate is een werk voor een of meer solostemmen met instrumentale begeleiding en functioneerde in de barok als een van de belangrijkste vocale muziekgenres, naast de opera en het oratorium. Sinds haar ontstaan bestaat de cantate uit een opeenvolging van aria’s en recitatieven, soms aangevuld met koordelen. De cantate kan zowel een profaan als een religieus onderwerp behandelen.
cantus: term gebruikt in de vijftiende en zestiende eeuw om de hoogste stem in een vocale polyfone compositie aan te duiden. In die zin gold de term lange tijd als een synoniem voor superius.
carillon: beiaard.
catalogus: inventaris van een verzameling boeken of andere voorwerpen, die tevens de toegang vormt tot deze verzameling.
chanson: in ruime zin elke lyrische compositie op een Franse tekst. Meer specifiek verwijst de term naar het Franstalige meerstemmige lied van de late middeleeuwen en renaissance. ‘Chanson’ is dan een verzamelnaam voor de muziekgenres van het rondeau, de virelai en de ballade, ook de ‘formes fixes’ genoemd, omwille van hun strakke tekstuele (rijm) en muzikale vormschema’s. In populaire muziek wordt de term ook gebruikt voor het Franse levenslied (bijvoorbeeld Jacques Brel).
chansonnier: handschrift of druk waarvan de inhoud volledig gewijd is aan het chanson (Franse lyrische poëzie), waarvan enkel de tekst of de tekst en muziek zijn opgenomen. De vroegste chansonniers bevatten eenstemmige liederen uit de troubadour- en trouvèretraditie. Meestal slaat de term echter op de polyfone liedmanuscripten van de vijftiende en zestiende eeuw. De grote bloei van het Franse chanson als specifiek genre (rondeau, ballade en virelai) leidde in deze periode tot de productie van ontelbare chansonniers.
chordofonen: term die gebruikt wordt binnen de classificatie van de muziekinstrumenten. Met deze term duidt men de groep muziekinstrumenten aan die geluid produceert door trillingen van snaren.
cilinderspeeldoos: mechanisch muziekinstrument in de vorm van een houten kistje. Binnenin is de doos voorzien van een metalen cilinder met pinnen, die bij het draaien van de cilinder langs een metalen kam strijken. De tanden van de kam hebben verschillende lengtes, zodat meerdere toonhoogtes geproduceerd kunnen worden.
clavecimbaal: oude benaming voor het klavecimbel.
collatie: de opgave van het formaat, het aantal bladzijden en illustraties van een boek. Meestal gebeurt dit in een specifieke formule, de collatieformule.
collectie: een bewust aangelegde verzameling documenten en objecten. De collectie moet op deze basis onderscheiden worden van het archief, dat een organisch gegroeide verzameling is van voornamelijk documenten. De documenten en objecten van de collectie worden om een welbepaalde reden en vanuit een bepaald criterium samengebracht en op of vanuit één plaats beheerd.
concert / concerto: muziekgenre. Een instrumentaal werk dat vertrekt van het onderscheid tussen een orkestensemble en een kleinere groep of solo, of van het onderscheid tussen verschillende groepen van een onverdeeld orkest. Deze groepen worden structureel en vaak ook muzikaal tegenover elkaar uitgespeeld. Het concerto verwierf in de achttiende eeuw haar definitieve driedelige vorm in de opeenvolging van een snel, langzaam en snel deel, al bestaan er ook concerti met meer of minder delen. Op basis van de bezetting kan een onderscheid gemaakt worden tussen drie soorten concerti: het soloconcerto, waarbij een enkele solist tegenover het orkest geplaatst wordt; het concerto grosso, met twee of meer (doorgaans maximum vier) solisten tegenover het orkest; en het concerto ripieno, waarbij verschillende groepen uit het orkest tegenover elkaar geplaatst worden.
conservatie / conservering: het geheel van maatregelen (procedures, plannen, activiteiten) die er op gericht zijn documenten of voorwerpen in goede staat te brengen en te houden. Er bestaat een onderscheid tussen passieve en actieve conservering. Passieve conservatie omvat de plaatsing van documenten en voorwerpen in een aangepaste ruimte (een gebouw of ruimte beschermd tegen brand- en overstromingsgevaar en voorzien van klimaatregeling). Tot de actieve conservatie behoren alle maatregelen die rechtstreeks ingrijpen op de documenten of objecten, zoals schonen, desinfecteren, ontschimmelen, ontzuren, herverpakken of herbinden in nieuwe materialen, e.a. Bij actieve conservering poogt men m.a.w. actief het (verdere) fysisch en chemisch verval van documenten en objecten tegen te gaan.
contrafactuur: een vocaal muziekstuk waarvan de oorspronkelijke tekst vervangen wordt door een nieuwe. De oorspronkelijke melodie wordt wel behouden zonder substantiële wijzigingen.
contrapunt: de leer die de regels vastlegt voor het gelijktijdig klinken van meerdere muzikale stemmen (instrumentaal of vocaal). De term contrapunt wordt ook gebruikt in de betekenis van polyfonie.
contratenor: term die letterlijk ‘tegen de tenor’ betekent. De contratenor werd ‘tegen’ de tenor gecomponeerd, die als reeds bestaande melodie de structurele basis vormde van de polyfone compositie. Hoewel het bereik van tenor- en contratenorstem in de veertiende- en vroeg vijftiende-eeuwse polyfone muziek quasi met elkaar overeenkwamen, was het meestal de contratenor die de harmonische basis vormde van de compositie. Vanaf het midden van de vijftiende eeuw zou een onderscheid ontstaan tussen contratenor altus en contratenor bassus, en zodoende ook een onderscheid in het bereik van deze beide stemsoorten, die uitgroeiden tot de standaard alt- en baspartij van het moderne vierstemmige koor.
decreet: term waarmee in België een wet wordt aangeduid, die op het niveau van de gemeenschappen of gewesten is uitgevaardigd.
document: zie archiefdocument.
duplum: in de dertiende- en veertiende-eeuwse polyfonie werd de tweede stem in een organum of motet aangeduid met de term duplum. De vroege polyfonie werd vaak geconcipieerd vanuit een (reeds bestaande) basismelodie, tenor genoemd. De andere stemmen werden successief bij deze basismelodie gecomponeerd. Duplum was de term voor de eerste stem die bij deze tenor gecomponeerd werd, en had doorgaans een iets hoger bereik dan de tenor zelf (zie ook triplum).
erfgoedbibliotheek: 1. In enge zin een synoniem voor bewaarbibliotheek. 2. Onder invloed van het nieuwe erfgoeddiscours krijgt deze term een bredere invulling. Een erfgoedbibliotheek is dan een instelling die een werking ontplooit die past in de hedendaagse praktijk en theorie van de informatie- en bibliotheekwetenschap en die, met het oog op langetermijnbewaring, een collectie cultureel erfgoed beheert die kan lopen van de oudste schriftmaterialen en de eerste gedrukte werken tot de moderne en hedendaagse gedrukte en digitale publicaties (Cultureel-erfgoeddecreet van 23 mei 2008).
etnomusicologie: de studie van de sociale en culturele aspecten van muziek.
facsimile: nauwkeurige reproductie van (muziek-)handschriften, drukken, prenten, en andere documenten, met als doel de originele drager te beschermen tegen de gevolgen van veelvuldige raadpleging en de toegankelijkheid van het document te vergroten.
gemeenschap: een in België op basis van de taal onderscheiden deel van de bevolking, dat ook een eigen staatsrechterlijke organisatie bezit. Sinds de staatshervorming van 1980 zijn de gemeenschappen bevoegd voor persoonsgebonden aangelegenheden zoals onderwijs, welzijn en cultuur. De gemeenschappen nemen binnen deze toegekende materies autonoom beslissingen, die zij via decreten vastleggen.
Gesamtausgabe: een verzamelde editie van het volledige oeuvre van een componist; synoniem voor ‘opera omnia’.
graduale: liturgisch boek dat de gezangen voor de mis bevat. Als handboek van het koor bevat het zowel de gezangen van het ordinarium als van het propriumdeel van de mis. Het graduale kan eveneens gezangen bevatten voor ‘speciale’ missen (zoals de requiemmis) en voor votiefmissen.
Graduale Triplex: een heruitgave van het Graduale Romanum, uitgegeven in Solesmes in 1979. Deze heruitgave bevat niet enkel de traditionele kwadraatnotatie van de gregoriaanse gezangen; tevens zijn twee types neumen boven en onder de notenbalk toegevoegd. De neumen boven de notenbalk zijn afkomstig uit een tiende-eeuws handschrift van Laon; de herkomst van de neumen onderaan zijn diverse manuscripten uit de regio van Sankt-Gallen in Zwitserland. De drijvende kracht achter deze uitgave waren de monniken van Solesmes in Frankrijk.
grafische muzieknotatie: een soort muzieknotatie die geen gebruik meer maakt van een notenbalk waarop de toonhoogte en het ritme precies aangeduid worden. De grafische muzieknotatie maakt daarentegen gebruik van zeer uiteenlopende grafische symbolen en voorstellingen.
gregoriaans: term die verwijst naar het traditionele repertoire van de Latijnse eenstemmige kerkmuziek. Het gregoriaans ontstond uit de confrontatie van het Oud-Romeinse repertoire met de Frankische invloed tijdens de Karolingische periode.
harmonium: muziekinstrument, geperfectioneerd in de negentiende eeuw door Alexandre-François Debain (Frankrijk). Het harmonium kan beschouwd worden als een klein orgel, waarbij de toon geproduceerd wordt door tongen (te vergelijken met het houten riet) van diverse lengtes, binnenin het instrument. De windvoorziening die de rieten doen trillen, wordt geregeld door pedalen.
hoefnagelnotatie / hoefnagelschrift: specifiek type van muzieknotatie, ook gotische neumen genoemd. De sierlijke ronde vormen van de lijnloze neumen werden hier vervangen door een dikkere penstreek en hoekigere stijl. Vooral de ruitvormige notenvormen zijn karakteristiek; in combinatie met de 'staart' van sommige noten lijkt dit type notatie lijkt daardoor sterk op de hoefnagel.
homofonie: stijl binnen de meerstemmige muziek waarbij een stem (de bovenstem) op melodisch vlak duidelijk de bovenhand haalt, terwijl de andere stemmen als loutere begeleiding optreden. In deze zin is de term homofonie een antoniem voor polyfonie, die zich kenmerkt door de simultane combinatie van meerdere, gelijkwaardige, melodieën in de verschillende stemmen. In engere zin wordt de term ook gebruikt voor een muziekstijl met verschillende melodische lijnen, die zich in min of meer hetzelfde ritme voortbewegen. In dit laatste geval is het echter correcter van ‘homoritmie’ te spreken.
hymne: lofdicht en lofzang voor God. De hymne kenmerkt zich door een strofische vorm en metrische regelmaat. De eenvoudige, makkelijk zingbare melodie is meestal voor elke strofe identiek. De hymne verwierf een vaste plaats in het officie; ze functioneerde af en toe ook als processiegezang.
idiofonen: term die gebruikt wordt binnen de classificatie van de muziekinstrumenten. Met deze term duidt men de groep muziekinstrumenten aan die geluid produceert door trillingen van het materiaal waaruit het instrument is geconstrueerd.
immaterieel erfgoed: verzamelterm voor niet-tastbaar erfgoed. Immaterieel cultureel erfgoed omhelst zodoende de praktijken, voorstellingen, uitdrukkingen, kennis en vaardigheden, de instrumenten, objecten, artefacten en culturele ruimtes die daarmee worden geassocieerd, die gemeenschappen, groepen en, in sommige gevallen, individuen erkennen als deel van hun cultureel erfgoed (definitie UNESCO-conventie).
impressum: de vermelding van de uitgave, de drukker (en uitgever) en het bibliografisch adres in een boek, krant of tijdschrift.
incipit: de openingswoorden of -muziek van een tekst of compositie.
inventaris: archiefinventaris.
klavecimbel: toetsinstrument, behorend tot de groep van de chordofonen. De vroegste sporen van het klavecimbel gaan terug tot ca. 1400; op het einde van de achttiende eeuw zou het verdrongen worden door de piano. Het klavecimbel lijkt qua vorm sterk op de piano (‘vleugel’) doordat de snaren in het verlengde van het klavier liggen. Dit in tegenstelling tot het spinet en virginaal, waar de snaren een hoek vormen met de toetsen. De mechaniek van het instrument werkt in tegenstelling tot de piano niet op basis van hamertjes, die de snaren aanslaan. Bij het klavecimbel staat elke toets van het klavier in verbinding met een dokje (houten latje), dat een klein plectrum bevat dat de snaren aantokkelt.
klavieruittreksel: een soort samenvatting van een orkestcompositie voor een klavierinstrument, meestal de piano. De vele verschillende stemmen van het orkest worden dan gereduceerd tot een partij die speelbaar wordt door slechts een muzikant. Klavieruittreksels worden meestal voorzien van vocale werken (opera, liederen, enz.), die daardoor ook in een kleine bezetting gerepeteerd en uitgevoerd kunnen worden.
klokkenstoel: het houten of metalen geraamte waarin klokken (van bijvoorbeeld een beiaard) opgehangen worden.
koorboek: boek uit de veertiende-zeventiende eeuw waarin alle stemmen van een polyfone compositie zijn opgenomen. De verschillende stemmen zijn niet onder elkaar uitgeschreven, zoals in de moderne muziekpartituur, maar krijgen per stem afzonderlijk een plaats toegewezen: de hoogste stem staat bovenaan de linkerpagina, de laagste stem onderaan de rechterpagina. Koorboeken hebben een groter formaat dan normaal, aangezien hun vervaardiging tot doel had alle leden van een volledig (zij het relatief klein) koor uit te laten zingen. Daardoor kon de grootte van het koorboek variëren tussen de 30 en 80 cm. Vanaf ca. 1500 zou het koorboek geleidelijk aan verdwijnen, ten voordele van het stemboekje.
kritische of Urtext-editie: wetenschappelijk verantwoorde uitgave van partituren, waarbij de uitgever de oorspronkelijke intenties van de componist zo dicht mogelijk probeert te benaderen, zonder toevoegingen of wijzigingen aan het originele materiaal. Bronnen voor een Urtext-editie zijn het manuscript van de compositie, afschriften daarvan (o.a. door leerlingen van de componist of assistenten overgeschreven) en de allereerste uitgaven van het werk. De uitgever verantwoordt in een uitgebreid notenapparaat de plaatsen waar noten, ritme en andere muzikale elementen afwijken.
kwadraatnotatie: muzieknotatie ontstaan in de twaalfde eeuw. De noten nemen in dit notatietype de vorm aan van (oorspronkelijk vrij kleine) vierkanten, die door dunne lijnen met elkaar verbonden worden. De kwadraatnotatie werd de standaard notatievorm voor de eenstemmige religieuze muziek. In combinatie met een vierlijnige notenbalk kon men met de kwadraatnotatie de precieze toonhoogte van de gezangen aanduiden. Tot vandaag blijft de kwadraatnotatie gebruikt voor het gregoriaans.
kyriale: een boek of deel van een boek dat gezangen voor het misordinarium bevat.
liedboek: gedrukt boek dat liederen verzamelt, meer bepaald het religieuze of wereldlijke Nederlandstalige liedrepertoire van de zestiende en zeventiende eeuw. De liederen zelf konden een variatie aan onderwerpen behandelen. Liedboeken bevatten niet altijd tekst én muziek. Vaak is enkel de tekst opgenomen, soms wordt dan gebruik gemaakt van wijsaanduidingen om een algemeen beeld te geven van de melodie waarop de tekst gezongen moet worden.
liedblad: los vel papier bedrukt met een of meer Nederlandstalige liederen. Heel vaak is enkel de tekst van het lied opgenomen, muzieknotatie ontbreekt vrijwel altijd. Deze liedbladen werden door marktzangers op straat verkocht. De liederen bezongen een rijke waaier aan onderwerpen, zoals moord, rampen, liefde, spot, enz. Wanneer meerdere liederen op een blaadje gedrukt werden, stonden de teksten vaak in kolommen, zodat het blad in stroken kon worden geknipt. Doordat de drukkosten van de liedblaadjes laag gehouden werd, kon het liedrepertoire zich snel verspreiden.
madrigaal: in oorsprong Italiaanse meerstemmige compositie gebaseerd op profane poëzie, met een vaste strofische tekststructuur, waarop ook de muzikale vorm is geënt. In deze betekenis werd het madrigaal vooral beoefend in de veertiende eeuw. Tijdens de zestiende eeuw groeide het madrigaal verder uit tot een hoogst expressief muziekgenre, waarin het contrapunt een steeds belangrijker plaats zou innemen (Adriaan Willaert, Cypriaan de Rore). In de zeventiende eeuw ontstond een nieuw type madrigaal dat stilistisch aanleunt bij de nieuwe verworvenheden van de barok, met de toepassing van o.a. basso continuo en recitatiefstijl. Bovendien konden de teksten ook religieus zijn.
membranofonen: term die gebruikt wordt binnen de classificatie van de muziekinstrumenten. Met deze term duidt men de groep muziekinstrumenten aan die geluid produceert door trillingen van een membraan.
mensurale muzieknotatie: notatiesysteem gebruikt vanaf de dertiende eeuw tot ongeveer 1600. Het systeem bood de mogelijkheid om zeer complexe ritmes heel nauwkeurig te noteren. Niet enkel het ritme van de afzonderlijke noten kon aangeduid worden, ook maatcijfers – toen tempus perfectum of imperfectum genoemd – werden opgetekend. De lengte van de afzonderlijke noten moet echter geïnterpreteerd worden op basis van de context waarin ze verschijnen (het maatcijfer, de notenwaarden rondom). Deze muzieknotatie kan herkend worden aan de ruitvormige noten. Afhankelijk van de tijdsperiode, respectievelijk 1260-1450 en 1450-1600, werd een onderscheid gemaakt tussen zwarte en witte mensurale notatie.
metadata: beschrijvingen van gegevens (data over data). Metadata geven betekenis aan het materiële object, aan de bron die beschreven wordt. Ze beschrijven de inhoud van de bron. Met betrekking tot de beschrijving van muziekbronnen, zijn drie soorten metadata van belang: bibliografische metadata (naam van de componist, de titel van een werk, het impressum), inhoudelijke metadata (onderwerp en bezetting) en beschrijvende metadata (verschijningsvorm en herkomst van een bron, huidige vindplaats).
metronoom: een apparaat dat de snelheid (tempo) van een muziekstuk kan weergeven. De snelheid van een muziekuitvoering kan aldus gereguleerd worden.
mis: in oorsprong Latijnse eucharistische dienst. De oorspronkelijk gezongen onderdelen van de mis kunnen in twee groepen verdeeld worden, namelijk het misordinarium en het misproprium. Het misordinarium bevat die gezangen die in elke mis op dezelfde tekst voorkomen. Dit zijn Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei. De propriumdelen zijn die gezangen die van dag tot dag verschillen, afhankelijk van het feest, meer bepaald introïtus, graduale, alleluia, tractus, offertorium en communio.
missaal: liturgisch boek dat alle teksten bevat die nodig zijn om de mis te celebreren: de gebeden, lezingen en teksten van het misproprium en –ordinarium. In de regel zijn enkel de prefaties en de Canon van de mis van muzieknotatie voorzien, hoewel uitzonderlijk ook uitgebreidere muzieknotatie kan voorkomen.
monodie: in een eerste betekenis wordt deze term gebruikt als een synoniem voor monofonie. Monodie kan echter ook verwijzen naar de begeleide Italiaanse solozang van de zeventiende eeuw. De begeleiding bestaat uit basso continuo. Monodie is dan gericht op het expressief naar voor brengen van de teksten (bijvoorbeeld in de opera). Onder andere de recitatiefstijl, die een nabootsing is van het gesproken woord, behoort tot de monodie.
monofonie: muziek voor een enkele stem of partij, zonder begeleiding, zoals het gregoriaans en het onbegeleide sololied.
mordent: muzikale versieringsfiguur. De versiering bestaat uit de snelle afwisseling van een hoofdtoon en een bijkomstige toon die hoger of lager klinkt, opnieuw gevolgd door de begintoon. De snelheid waarmee deze afwisseling zich voordoet, is vaak ritmisch sterk geprononceerd.
motet: vocaal muziekgenre. Het motet werd voornamelijk beoefend in de periode 1220-1750 en gold als een van de belangrijkste vormen van polyfone muziek. Typisch voor het vroege motet is de aanwezigheid van een reeds bestaande melodie in de tenor, die als structurele basis geldt voor het meerstemmige stuk. Deze melodie kenmerkt zich door lange notenwaarden (een traag verloop), terwijl de bovenstemmen zich sneller voortbewegen. Ook het gebruik van verschillende teksten in de diverse stemmen is een opvallend kenmerk. In de zestiende eeuw bereikte het motet een eerste hoogtepunt in de handen van de Vlaamse polyfonisten. Het motet werd het muziekgenre bij uitstek waarin componisten al hun kunsten konden etaleren. In de zeven- en achttiende eeuw ontstonden diverse nationale varianten, die de nieuwe verworvenheden van de barokke stijl in dit religieuze genre introduceerden (concerterende stijl, basso continuo, enz.).
motetus: term die in de dertiende tot vroege vijftiende eeuw gebruikt wordt om de stem onmiddellijk boven de tenor aan te duiden in het motet.
muziekautomaat: verzamelterm voor instrumenten/apparaten die automatisch muziek kunnen afspelen.
neumen / neumennotatie: muzieknotatiesysteem. Neumen zijn de tekens waarmee het oorspronkelijke gregoriaans, voor het ontstaan van de kwadraatnotatie, genoteerd werd. Afhankelijk van het type neumen is de vorm ronder of hoekiger, en zijn ze eerder rechtop of naar rechts hellend genoteerd. Oorspronkelijk werden ze genoteerd ‘in campo aperto’: zonder gebruik van een notenbalk of referentielijn. In dit stadium konden zangers enkel de algemene contouren van een melodie afleiden uit de neumentekens, m.a.w. een algemeen idee over het stijgen of dalen van een melodie, zonder dat de exacte toonhoogtes afgeleid kunnen worden (de exacte toonhoogte werd uit het geheugen gezongen). Van zodra een referentielijn (of meerdere, een soort notenbalk) toegepast werd, konden preciezere toonhoogtes afgeleid worden uit de neumen. In heel Europa ontwikkelden zich zeer diverse neumentypes.
officie of koorgebed: de gebedsdiensten van geestelijken buiten de eucharistie. Het officie bestaat uit een vast aantal gebedsdiensten, acht in totaal, die over een hele dag verspreid worden; deze indeling werd voor het eerst vastgelegd in de Regel van Benedictus. Muziek neemt van oudsher een voorname plaats in in het officie. Vooral voor de psalmen is een centrale plaats weggelegd.
onroerend door bestemming: in algemene zin een (roerend) goed dat omwille van zijn aard bij een onroerend goed behoort. De eigenaar van het roerend en onroerend goed zijn dezelfde. Tussen de goederen bestaat een (onlosmakelijk) verband. Ook wanneer het roerend goed bestemd is om blijvend met het onroerend goed verbonden te blijven, wordt het beschouwd als ‘onroerend door bestemming’.
onroerend erfgoed: niet-verplaatsbaar erfgoed.
ontsluiten / ontsluiting: alle maatregelen die het toegankelijk maken van archieven of collecties bevorderen. Onder deze maatregelen verstaat men o.a. het vervaardigen van toegangen, zoals een archievenoverzicht, archiefinventaris of plaatsingslijst, en andere hulpmiddelen. Toegankelijk maken betekent dat gegevens en onderdelen van het archief of de collectie binnen redelijke tijd gevonden en raadpleegbaar gemaakt kunnen worden.
opera: muziekgenre. De opera is een gezongen drama met instrumentale begeleiding. De essentie van opera bestaat erin dat de muziek een wezenlijk bestanddeel vormt en niet incidenteel is. De muziek speelt een belangrijke rol in het portretteren van de personages en hun emoties en in de totstandkoming van de ‘actie’. De opera bestaat uit een afwisseling van (solistische) aria’s en recitatieven, aangevuld met zuiver instrumentale fragmenten, koordelen en vocale ensembles.
opera omnia: Gesamtausgabe.
oratorium: muziekgenre. Het oratorium fungeerde als een van de belangrijkste vocale muziekgenres in de barok, naast de opera en de cantate. De muzikale stijl lijkt sterk op de opera en de cantate, met een afwisseling van aria’s en recitatieven. Het oratorium wordt echter zonder scenische voorstelling uitgevoerd. Oratoria zijn te vinden in de volkstalen en in het Latijn. Het onderwerp van het oratorium is meestal, maar niet uitsluitend, gebaseerd op bijbelse verhalen.
orchestrion: de naam voor een mechanisch instrument, dat muziek produceert aan de hand van ponsbanden of een cilinder voorzien van uitstekende pinnen. Het instrument was bedoeld voor gebruik binnenshuis. Klassieke muziek en dansen uit het orkestrepertoire werden erdoor uitgevoerd.
ordinarium: de gezangen waarvan de teksten voor elke misviering dezelfde blijven. Het betreft Kyrie (Heer, ontferm u over ons), Gloria (Eer zij God in den Hoge), Credo (de geloofsbelijdenis), Sanctus (Heilig, heilig, heilig) en Agnus Dei (Lam Gods).
organologie: leer van de muziekinstrumenten. De wetenschappelijke studie van de muziekinstrumenten met betrekking tot hun geschiedenis en sociale functie, hun ontwerp, constructie en relatie tot de uitvoeringspraktijk.
organum: muziekgenre. Het organum is een van de vroegste vormen van meerstemmige muziek. Het dateert al van de negende eeuw. Kenmerkend is dat een van de stemmen in oorsprong een gregoriaanse melodie is, waar andere stemmen aan worden toegevoegd. Het organum is meestal twee- of vierstemmig. Net zoals bij het gregoriaans blijft het ritme erg vrij, exacte tijdsduren van de noten worden niet vastgelegd in de muzieknotatie.
orgelpositief: muziekinstrument. Een klein verplaatsbaar orgel, soms ook kamerorgel genoemd, bestaande uit een manuaal (toetsenbord) en bijhorende labiaalpijpen. Net zoals het grote kerkorgel bezit het positief meerdere ‘registers’, die verschillen in klankkleur of timbre ten gehore kunnen brengen. Meestal bezit dit kleinere type orgel geen pedalen.
partij: het afzonderlijke notenmateriaal voor één instrument of stem van een muziekwerk. Te vergelijken met het oudere ‘stemboekje’.
partituur: het totaaloverzicht van een muziekwerk, met het notenmateriaal van alle partijen.
pianoforte: toetsinstrument, behorend tot de groep van de chordofonen en directe voorloper van de moderne piano. Het instrument ontstond aan het begin van de achttiende eeuw, toen de Italiaan Bartolommeo Cristofori een nieuw mechanisme uitvond op basis van hamers die de snaren aanslaan. Deze uitvinding was een belangrijke vooruitgang t.o.v. het klavecimbel en andere oudere toetsinstrumenten, waarvan de pennen de snaren van het instrument aantokkelen. In de nieuwe mechaniek van Cristofori zouden de hamers de snaren aanslaan. Het gevolg hiervan was dat verschillen in dynamische sterkte voortaan (beter) tot uiting konden worden gebracht.
pianola: merknaam van het automatisch spelende pianotype dat ontworpen werd door de Amerikaanse onderneming Aeolian Company. De pneumatisch aangedreven piano produceerde geluid door middel van ponsbanden, ook pianolarollen genoemd.
pianolarol: zie pianola.
plaatsingslijst: voorlopige inventaris met de beknopte omschrijving van archiefbestanddelen in de volgorde waarin zij materieel zijn gerangschikt, onder opgave van hun vindplaats.
polyfonie: synoniem voor meerstemmigheid. Bij polyfonie verwerven alle stemmen afzonderlijk een zekere mate van zelfstandigheid. Ze bewegen onafhankelijk van elkaar en moeten als evenwaardig beschouwd worden. In tegenstelling tot homofonie, waar een stem (de bovenstem) op melodisch vlak duidelijk de bovenhand haalt, terwijl de andere stemmen als loutere begeleiding optreden, bestaat polyfonie uit de simultane combinatie van zelfstandige en evenwaardige melodische lijnen.
polyfonisten: specifiek aangewend om de Vlaamse polyfonisten aan te duiden, de componisten van Frans-Vlaamse afkomst, die de vijftiende en zestiende eeuw op muzikaal vlak zouden domineren. De stijl van deze componisten wordt gekenmerkt door een sterke voorkeur voor meerstemmige, polyfone muziek, waarbij de verschillende stemmen van het muzikaal weefsel gelijkwaardig zijn aan elkaar. Vooral de vocale religieuze genres zoals de mis en het motet zouden zij tot een hoogtepunt brengen.
ponsband / ponskaarten: (papieren of kartonnen) strook waarin gaatjes zijn aangebracht volgens een bepaalde ‘code’. Deze code kan door mechanische muziekinstrumenten gelezen worden en omgezet naar klinkende muziek. Tot instrumenten die deze techniek gebruiken behoren de orchestrions, pianola’s en reproductiepiano’s, straatorgels, enz.
processionale: een klein, draagbaar liturgisch boek, dat de gezangen, rubrieken en gebeden bevat die bij processies worden uitgevoerd. Muzikaal bevat dit boek zeer interessant materiaal, net omdat de gezangen die er in voorkomen (antifonen e.d.) niet altijd zijn opgenomen in andere liturgische boeken.
proprium: de misgezangen waarvan de teksten van dag tot dag verschillen, afhankelijk van het feest. Het betreft het introitus, graduale, alleluia, tractus, offertorium en communio.
psalm: loflied ter ere van God, waarvan de tekst afkomstig is uit het Oude Testament (Boek der Psalmen). Typisch voor de psalmverzen is de evenwichtige opbouw in twee halfverzen. De psalmen worden meestal gereciteerd, dat is voorgedragen op een enkele toonhoogte waarvan slechts afgeweken wordt om de grammaticale structuur van de tekst te beklemtonen. Er kan met andere woorden van deze psalm- of reciteertoon afgeweken worden aan het begin en einde van de verzen en halfverzen. De psalmen bekleden een vaste plaats in het officie en de mis. Bij de psalm hoort vaak een antifoon, die als een soort refrein tussen de psalmverzen wordt gezongen.
psalmodiëren: het reciteren van de psalmen volgens vaste (melodische) formules. Uitgangspunt voor deze vaste formules is een reciteertoon (één toonhoogte), waarop het grootste deel van een tekstvers gereciteerd wordt. Slechts bij het begin van het vers, het midden en einde wordt van deze basistoonhoogte afgeweken ter verduidelijking van de structuur van de tekst.
psalterium: liturgisch boek dat de psalmen van het officie bevat. De psalmen zijn geordend volgens de dagen van de week waarop ze gezongen werden. Het psalterium bevat vaak ook de gewone antifonen die bij de psalmen gezongen werden.
recitatief: een bepaalde schrijfwijze binnen de vocale muziek. In het recitatief probeert men het gewone spreken zo goed mogelijk na te bootsen met gezang. Het recitatief bezit dan ook geen regelmatig ritme of mooi geproportioneerde melodieën, zoals de aria. Het recitatief komt voor in de opera, cantate en het oratorium.
register: document waarin gegevens van personen, organisaties of goederen zijn opgenomen. Deze gegevens zijn geordend in horizontale en verticale rijen.
repertoriëren: synoniem voor inventariseren.
reproductiepiano: een type pianola dat niet enkel toonhoogte, ritme en tempo van een muziekwerk precies kan reproduceren, maar tevens dynamiek (klanksterkte) en het gebruik van de pedalen. Dankzij dit instrument konden historische ‘opnames’ gemaakt worden van componisten als Rachmaninov.
responsorium: liturgisch gezang dat in het officie gezongen wordt na de lezingen. De teksten van de responsoria, meestal uit het Boek der Psalmen, vertonen een nauwe samenhang met de inhoud van de lezingen.
RIdIM: Répertoire International d’Iconographie Musicale. Internationaal project, gesponsord door IAML (International Association of Music Libraries, Archives and Documentation Centres), IMS (International Musicological Society), CIMCIM (Comité International des Musées et Collections d’Instruments de Musique) en ICOM (International Council of Museums). RIdIM werd opgericht met een dubbele doelstelling: enerzijds wil het project voorzien in de controle over en toegang tot muziekiconografische bronnen, anderzijds wil het ook een bijdrage leveren tot de interpretatie van deze bronnen.
RILM: Répertoire Internationale de Littérature Musicale. Lopende bibliografie die sinds 1967 jaarlijks een overzicht biedt van alle boeken, artikels en recensies uit belangrijke tijdschriften en verzamelwerken die iets met muziek te maken hebben.
RIPM: Répertoire International de la Presse Musicale. Afgesloten bibliografie. Opgezet met als doel de belangrijkste achttiende, negentiende en vroeg twintigste-eeuwse muziektijdschriften te inventariseren.
RISM: Répertoire International des Sources Musicales. Uitgebreide verzameling bronnenrepertoria, ingericht op initiatief van de International Musicological Society, bestaande uit drie reeksen. Reeks A bevat twee inventarissen, alfabetisch geordend naar componisten. Het eerste deel in deze reeks beschrijft de Einzeldrucke vóór 1800 (gedrukte muziekuitgaven die gewijd zijn aan één componist), de tweede inventaris beschrijft de muziekhandschriften na 1600. Reeks B is systematisch geordend en bevat inhoudelijk zeer uiteenlopende delen (verzameldrukken, muziektheoretische handschriften en drukken, enz.). Reeks C verzamelt praktische informatie over alle muziekbibliotheken, archieven en over particuliere verzamelingen die historisch materiaal bewaren.
roerend erfgoed: verplaatsbaar erfgoed.
rondeau: muziekgenre. Het rondeau is een Frans chanson, behorend tot de ‘formes fixes’. Dit genre werd beoefend in de late middeleeuwen en renaissance. De versstructuur van de poëzie, in een afwisseling van strofe en refrein, bepaalt de muzikale structuur van het lied. Naast het rondeau behoren ook de ballade en virelai tot de formes fixes.
rotulus: boekrol.
sacramentarium: liturgisch boek van de westerse kerk, dat voornamelijk de teksten bevat van de misgebeden en dus door de celebrant werd gebruikt.
songbook: boek met liedjes van moderne uitvoerders binnen de pop- en rockmuziek.
sonate: muziekgenre. De sonate is een instrumentaal werk voor een solist of klein ensemble, in een overwegend homofone stijl. Meestal bestaat de sonate uit drie of vier delen, waarvan – zeker sinds het einde van de zeventiende eeuw – minstens een is opgebouwd volgens de sonatevorm. De meeste solosonates zijn geschreven voor een klavierinstrument (piano). In sonates voor twee of meer uitvoerders neemt de piano vaak de begeleiding op zich.
sonatevorm: muziekvorm binnen de instrumentale muziek, o.a. gebruikt in de eerste delen van sonates en symfonieën. De sonatevorm is een dynamische vorm, die zich kenmerkt door haar driedeligheid. In het eerste deel (expositie) worden twee muzikale thema’s voorgesteld, die qua karakter sterk van elkaar onderscheiden zijn. Het tweede deel (doorwerking) bouwt de spanning op door zich te concentreren op (een beperkte hoeveelheid) muzikaal materiaal uit het eerste deel, dat herwerkt wordt via variatie en mutatie. De spanning wordt opgedreven tot het begin van het derde deel (reprise), dat een herhaling is van het eerste deel, zij het meestal licht gevarieerd. Die herneming geeft ontspanning van de muzikale structuur. De sonatevorm verwierf deze standaardstructuur in de tweede helft van de achttiende eeuw.
speeltrommel: onderdeel van een beiaard, dat de basis vormt voor het automatisch speelwerk ervan. De trommel is voorzien van evenwijdige rijen gaten, die elk ‘verbonden’ zijn met een klok (met een andere toonhoogte). De vormgeving van de trommel is op dit vlak te vergelijken met het pianoklavier: hoe hoger de toonhoogte van de klok, hoe meer de overeenkomstige gaten zich naar rechts bevinden op de trommel. De beiaardier kan ijzeren pinnen (stiften) in deze gaten steken: de plaats waar dat gebeurt, bepaalt dus tevens welke klok zal klinken. Ook het ritme kan de beiaardier bepalen: hoe meer open gaten tussen twee stiften, hoe langer de auditieve ruimte (trager) tussen beide noten. Op deze manier kunnen hele melodieën geprogrammeerd worden, die het slaan van de uren aankondigen. Het herprogrammeren van de speeltrommel wordt ook ‘versteken’ genoemd.
spinet: muziekinstrument, behorend tot de chordofonen. Een kleinere variant van het klavecimbel, met slechts één toetsenbord en een enkele reeks snaren en dokjes (houten latjes met een soort plectrum dat de snaren doet trillen). In tegenstelling tot het klavecimbel, waar de snaren zoals bij de piano in het verlengde van de toetsen liggen, zijn de snaren van het spinet diagonaal ten opzichte van de toetsen geplaatst. Het spinet is herkenbaar aan zijn driehoekige vorm.
springtrommel: speciaal type van een speeltrommel voor de beiaard, ontworpen in 1712 door de Antwerpse uurwerkmaker Hendrik Joltrain. De speeltrommel was voorzien van een dubbele rij gaten, waardoor langere melodieën geprogrammeerd (verstoken) konden worden. Op het einde van de eerste omwenteling, springt de trommel van de eerste rij gaten naar de tweede rij.
stemboek: boek in handschrift of druk dat slechts het notenmateriaal van een enkele, afzonderlijke vocale of instrumentale partij bevat. Stemboekjes zouden vanaf de vijftiende eeuw in gebruik raken, om in de twee daaropvolgende eeuwen uit te groeien tot het standaardformaat waarin muziek voor ensembles verspreid werd. Het stemboekje is de voorloper van de moderne partij.
stuk: document op papier of perkament. De term wordt ook gebruikt als synoniem van archiefdocument.
superius: term, vooral gebruikt in de zestiende eeuw, om de hoogste stem in een polyfone compositie aan te duiden.
symfonie: muziekgenre. De symfonie behoort tot de instrumentale muziek, meer bepaald voor orkest. De symfonie is ontstaan vanuit de opera-sinfonia, de instrumentale inleiding tot de eigenlijke opera. In de achttiende eeuw had deze sinfonia een standaardstructuur van drie delen, in de opeenvolging van een snel, een langzaam en opnieuw een snel deel. In dezelfde eeuw zou de symfonie steeds meer evolueren naar een werk bestaande uit vier delen. Vooral vanaf Ludwig van Beethoven en diens navolgers zou de symfonie een hoogtepunt bereiken en beschouwd worden als het meest verheven genre binnen de instrumentale muziek. Vele componisten gebruikten de symfonie sindsdien om hun ware ‘kunnen’ op structureel, melodisch, harmonisch en affectief vlak te etaleren.
tabulatuur: een speciale vorm van muzieknotatie voor instrumenten. In plaats van de conventionele notenbalknotatie maakt men gebruik van getallen, letters of andere symbolen, die vaak een duidelijk verband vertonen met de speeltechniek van het instrument waarvoor de notatie bedoeld is. Bij een groot aantal types tabulaturen kan uit de notatie onmiddellijk afgeleid worden hoe het instrument bespeeld moet worden (welke toets neergedrukt moet worden, welk klankgat gedicht moet worden, op welke plaats een snaar neergedrukt moet worden).
tenor: in de polyfonie van 1250 tot 1500 de structureel fundamentele stem, vocaal of instrumentaal. De vroege polyfone muziek gebruikte vaak als basis een reeds bestaande melodie, tenor genoemd, die in de laagste (of een van de laagste) stem(men) werd geplaatst. De andere stemmen werden tegen deze melodie gecomponeerd, meestal een voor een, en kregen een naam afgeleid van de volgorde waarin ze gecomponeerd werden (zie altus, bassus, contratenor, duplum, superius en triplum). Vanaf de vijftiende eeuw zou de term ook meer en meer verwijzen naar het specifieke type mannenstem die deze partijen uitvoerde.
timbre: klankkleur. De specifieke toonkleur van een instrument of menselijke stem. Zie ook boventoon.
tonarius / tonarium: liturgisch boek dat de antifonen van het officie en de mis bevat, eventueel ook de responsoria, geordend volgens de acht modi of psalmtonen, en eventueel verder volgens de verschillende ‘differentiae’ (variante slotformules) per psalmtoon. Het tonarius kon een afzonderlijk boek zijn, of opgenomen als deel in andere liturgische boeken, zoals het antifonarium, graduale of psalterium.
transcriptie: het herwerken van een muziekstuk waarbij de ene muzieknotatie wordt overgezet in een ander soort muzieknotatie, van een oude naar een modernere muzieknotatievorm. In een meer algemene muzikale betekenis is de term transcriptie synoniem voor arrangement.
triller: muzikale versieringsfiguur die bestaat uit de snelle en veelvuldige afwisseling van een hoofdtoon en een andere toon, die hoger of lager klinkt.
triplum: in de dertiende- en veertiende-eeuwse polyfonie werd de ‘derde’ stem in een organum of motet aangeduid met de term triplum. De vroege polyfonie werd vaak geconcipieerd vanuit een (reeds bestaande) basismelodie, tenor genoemd. De andere stemmen werden successief bij deze basismelodie gecomponeerd. De tenor bleef de onderste stem, daarbij werd vervolgens een tweede, hogere stem geschreven (duplum genoemd) en ten slotte een derde stem (triplum), in een nog hoger bereik. De ‘derde stem’ betekent in tegenstelling tot wat men zou kunnen verwachten dus niet ‘de derde hoogste stem’, maar wel de derde melodie van het werk die neergeschreven wordt. In latere muziek werd deze stem de cantus of superius genoemd.
troparius / troparium: boek of onderdeel van een boek dat tropen bevat.
trope: muziekgenre. De term trope verwijst naar de toevoeging van nieuwe tekstfragmenten en/of nieuwe muziek aan reeds bestaande liturgische gezangen. Deze praktijk werd vanaf de negende eeuw veelvuldig toegepast op de bestaande misgezangen, in mindere mate ook op responsoria in het officie.
troubadour: lyrische dichter of dichter-musicus, afkomstig uit Frankrijk en levend in de twaalfde à dertiende eeuw. De troubadours waren werkzaam in het zuiden van Frankrijk en schreven hun liederen in de langue d’oc, het latere Provençaals.
trouvère: lyrische dichter of dichter-musicus, afkomstig uit Frankrijk en levend in de twaalfde à dertiende eeuw. De trouvères waren werkzaam in het noorden van Frankrijk en schreven hun liederen in de langue d’oil, dat zich verder zou ontwikkelen tot het (standaard) Frans.
urban musicology: tak van de musicologie die de muziek in een ruimer contemporain stedelijk en regionaal kader situeert en bestudeert.
valorisatie / valoriseren: alle activiteiten die ertoe leiden dat erfgoed toegankelijk gemaakt wordt voor het publiek en die erop gericht zijn het maatschappelijk nut of de maatschappelijke waarde van dit erfgoed aan de oppervlakte brengen. Valorisatie houdt m.a.w. een heropwaardering in van het erfgoed binnen de contemporaine en hedendaagse context.
versteekboek: boek dat aanwijzingen bevat voor het versteken van de speeltrommel van een beiaard, alsook composities die door dit automatisch speelwerk uitgevoerd kunnen worden. Deze composities zijn vaak arrangementen van bestaande stukken, aangepast aan de specifieke mogelijkheden van de speeltrommel.
versteektrommel: zie speeltrommel. ‘Versteken’ wijst op het herprogrammeren van de automatische speeltrommel van de beiaard.
virelai: muziekgenre. De virelai is een (meestal) meerstemmig chanson op Franse tekst, met een vaste poëtische structuur (formes fixes). Deze tekststructuur ligt aan de basis van de muzikale structuur, die eveneens opgebouwd is uit een afwisseling van strofe en refrein. De virelai werd beoefend in de late middeleeuwen en renaissance.
virginaal: muziekinstrument, behorend tot de groep van de chordofonen. Een virginaal is een klein type klavecimbel, meestal met een enkele reeks snaren en dokjes (houten latjes met een soort plectrum die de snaren doen trillen) en slechts één toetsenbord. Waar de snaren van het klavecimbel in het verlengde van de toetsen liggen, liggen de snaren van het virginaal haaks op de toetsen. Het virginaal is herkenbaar aan zijn rechthoekige vorm.
wijsaanduiding: wordt gebruikt in vocale muziek. De wijsaanduiding duidt de melodie aan waarop een bepaalde tekst uitgevoerd moet worden. Van heel wat liederen is enkel de tekst overgeleverd, zonder notenmateriaal. Een wijsaanduiding zorgde ervoor dat de melodie van het lied toch geïdentificeerd kon worden. Deze liederen zijn dus een soort contrafacten. In de praktijk kan een wijsaanduiding de beginregel of het refrein van een ander lied zijn, alsook een omschrijving van dat andere lied: ‘op de wijze van’, aangevuld door de titel van het originele lied.