- home
- Maak kennis
- Aan de slag
- voor beiaardiers
- Voor studenten
- Handboek Muzikaal Erfgoed
- Thema's
- nieuws
- Over Resonant
Tot de objecten die als muzikaal erfgoed bestempeld kunnen worden, behoren niet alleen muziekinstrumenten, muziekiconografie en afspeelapparatuur, maar ook ‘andere’ objecten, waarvoor tot op heden geen overkoepelende term bestaat. Vaak kan men ze echter aanduiden als ‘parafernalia’: de bezittingen van een persoon of vereniging, die niet de muziek of het muziekleven zelf documenteren, maar die wel die persoon of vereniging in zijn of haar context plaatsen. Het vaandel en de kledij van een harmonieorkest of fanfare vertellen ons op zich niets over de werking van de vereniging of het repertoire dat ze uitvoert, maar beide maken wel deel uit van de geschiedenis van de vereniging en behoren als kenteken naar de buitenwereld tot het wezen ervan. De term ‘parafernalia’ is nog sterker van toepassing op persoonlijke objecten als een pijp en snuifdoos, zoals die van componist Edgar Tinel bewaard worden in het gelijknamige museum in Sinaai. Hoogstens zijn het leuke hebbedingetjes, die wel iets vertellen over een persoon, maar met diens positie in het muziekveld weinig te maken hebben.
Er bestaat echter nog een tweede categorie van ‘andere’ museale objecten, die ons wel meer informatie kunnen verstrekken over muziek of over het muziekleven. Voor deze objecten is de overkoepelende aanduiding ‘parafernalia’ niet gepast, al blijft het voorlopig zoeken naar een term die wel van toepassing zou kunnen zijn.
Enkele voorbeelden van deze tweede categorie:
1. De gipsen afdruk van de handen van een pianist/componist kan meer vertellen over zijn kwaliteiten als uitvoerder of over het waarom van bepaalde muzikale kenmerken van zijn oeuvre: lange, smalle en lenige vingers bijvoorbeeld kunnen muziektechnisch moeilijker passages aan dan kleine handen.
2. Maquettes van o.a. gebouwen en muziekinstrumenten (of delen daarvan) kunnen een gelijkaardige betekenis voor ons begrip van muziek en het muziekleven hebben. Een voorbeeld is de maquette van een beiaardautomaat uit 1707, die tentoongesteld wordt in het Museum Vleeshuis | Klank van de Stad in Antwerpen. Nader onderzoek leerde dat dit het schaalmodel is van de eerste springtrommel voor beiaard, door Hendrik Joltrain ontworpen voor de Sint-Gummaruskerk in Lier. Het herontdekken van dit schaalmodel levert nieuwe inzichten op over de manier waarop beiaarden werden hersteld en vernieuwd en toont de vroeg achttiende-eeuwse (muzikale) relaties tussen de steden Antwerpen en Lier.
3. Op enkele plaatsen in Vlaanderen, waaronder het Museum Plantin-Moretus, wordt typografisch materiaal bewaard, m.a.w. materiaal dat gebruikt werd bij het drukken van muziek, zoals zetkasten en stempels. Niet alleen voorzien deze objecten ons van kennis over de praktijk van het drukken van muziek; in bepaalde gevallen kunnen ze ook helpen in het identificeren, dateren en lokaliseren van bepaalde muziekdrukken. Het ontbreken van een passende term voor de gehele categorie ‘andere objecten’ maakt deze zeer breed en gevarieerd. De voorwerpen die ons nieuw of meer inzicht bieden in het muziekleven of de muziek zelf, zijn omwille van die reden altijd interessant om te conserveren. Andere objecten doen dat niet, maar kunnen (en mogen) desondanks – omwille van de meer emotionele band met een persoon, vereniging of regio – bewaard worden.