Zoeken

Soorten dragers

Audiovisuele dragers bestaan in vele soorten. Op basis van de techniek die ze gebruiken, kunnen ze in drie types worden ingedeeld.

1. Mechanische dragers

Met behulp van een hoorn en een kleine naald kunnen geluidstrillingen in zacht materiaal ingekrast worden. De groeven die zo ontstaan kunnen opnieuw ‘gelezen’ worden door een naald zodat het oorspronkelijke geluid gereproduceerd wordt.

De belangrijkste mechanische dragers zijn de cilinder of wasrol en de grammofoonplaat, waarvan vele varianten bestaan. Omdat de cilinder bestond uit aluminiumfolie of uit papier dat in was gedrenkt werd, is hij erg kwetsbaar. Wasrollen konden de opname maar enkele tientallen keren weergeven vooraleer ze versleten waren. Bij grammofoonplaten werd het geluidssignaal op platte platen gesneden, die aanvankelijk van schellak en bakeliet en vanaf de jaren dertig ook van vinyl vervaardigd werden. Er bestaan allerlei varianten qua draaisnelheid, formaat en techniek. Doordat de grammofoonplaat goedkoper was, minder kwetsbaar en een langere levensduur kende dan de wasrol, kon ze op korte tijd de wereld veroveren.

2. (Elektro-)magnetische dragers

Magnetische dragers zijn gebaseerd op de eigenschap van ijzer en andere metalen dat zij gemagnetiseerd kunnen worden. De eigenlijke drager is een kunststof strook (oorspronkelijk gemaakt van acetaat, later van het meer stabiele polyester) waarop een magnetiseerbaar laagje van bijvoorbeeld ijzeroxide of chroomdioxide wordt aangebracht. Geluidstrillingen die in een elektrisch signaal zijn omgezet, wekken een magnetisch veld op, dat magnetische deeltjes op de drager in een bepaalde volgorde kan rangschikken. Een leeskop kan die volgorde opnieuw ‘lezen’ en het oorspronkelijke geluid reproduceren.

Voorbeelden van dragers die functioneren volgens dit principe zijn de draadspoel, magneetband en muziekcassette, videobanden en -cassettes, de digitale audio tape (DAT) en de minidisc. [voorbeelden van hierboven vermelde dragers en/of hun apparaten]

3. Optische dragers

Begin twintigste eeuw begon de filmindustrie geleidelijk aan te experimenteren met de geluidsfilm. Het grootste probleem dat overwonnen moest worden, was dat van de synchronisatie: het gelijktijdig afspelen van beeld en geluid. Lange tijd werd het geluid (aanvankelijk beperkt tot orkestmuziek en geluidseffecten) afgespeeld vanaf afzonderlijke grammofoonplaten, een ‘techniek’ die men ook wel het sound-on-disc-systeem noemt. Eind jaren twintig ontwikkelde het sound-on-film-systeem waarbij het geluid voor het eerst op de filmstrip zelf is opgeslagen. Langs de rand van de filmstrook werd het geluid gecodeerd in smalle strepen die meer of minder licht doorlaten. Met behulp van een foto-elektrische cel kon het opgevangen licht opnieuw vertaald worden in geluid.

Optische dragers kunnen ook kunststof schijven zijn waarop digitale informatie is geperst in de vorm van minuscule ‘putjes’. Met een kleine laserstraal kan het oppervlak van de schijf afgetast worden en kan het spiraalspoor van ‘putjes’ vertaald worden naar een geluidssignaal. De cd en dvd werken op basis van dit principe. Ze veroverden vanaf de jaren tachtig de markt omwille van het grote bedieningsgemak. Het ontbreken van mechanische ruis was een enorme verbetering.